ECLI:NL:CRVB:2010:BM4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijlatingsregeling WWB voor Belgisch rustpensioen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naast hun AOW-pensioen en een Belgisch rustpensioen. Aanvankelijk werd het Belgisch pensioen vrijgelaten bij de bijstandsverlening op basis van artikel 33, vijfde lid, WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Maastricht besloot echter per 11 mei 2006 dat deze vrijlating niet langer geldt omdat het Belgisch pensioen een pensioen van overheidswege betreft.
Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het Belgisch pensioen wel onder de vrijlatingsregeling valt en dat slechts een eenmalige verrekening over de maand van uitbetaling zou moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde echter dat het Belgisch pensioen een ouderdomsuitkering van overheidswege is en geen particuliere oudedagsvoorziening.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het Belgisch pensioen moet worden toegerekend aan het gehele jaar en per maand evenredig op de bijstand in mindering moet worden gebracht. Het College was bevoegd de bijstand te herzien en de vrijlating van het Belgisch pensioen te beëindigen met ingang van 16 mei 2006. Het hoger beroep van appellanten wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het Belgisch pensioen wordt niet vrijgelaten bij de bijstand, maar op de bijstand in mindering gebracht.