Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 15 mei 2013
- het proces-verbaal van comparitie van 27 augustus 2013 en de in dat proces-verbaal genoemde stukken
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen, beiden Nederlanders en ex-echtgenoten, zijn in België gehuwd geweest en gescheiden door een uitspraak van de rechtbank Breda. Tijdens hun huwelijk heeft de man pensioen opgebouwd bij de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen. In het convenant bij de echtscheiding is overeengekomen dat pensioenaanspraken, vallend onder de Wet Verevening Pensioenrechten (Wet VP), zouden worden verevend.
De vrouw vordert de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen en aanvullende bedragen, terwijl de man betwist dat de Wet VP van toepassing is op het Belgische rustpensioen. De rechtbank onderzoekt of het pensioen kan worden aangemerkt als een pensioenregeling in de zin van de Wet VP.
De rechtbank concludeert dat het rustpensioen een op een Belgische wettelijke regeling gebaseerde ouderdomsuitkering betreft, vergelijkbaar met de Nederlandse AOW, en geen pensioenregeling zoals bedoeld in de Wet VP. Het convenant bevatte een onjuiste constatering dat het pensioen onder de Wet VP viel en bevatte geen daadwerkelijke overeenkomst tot verevening.
Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van de vrouw af en compenseert de proceskosten zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot verevening van het Belgische rustpensioen af omdat de Wet Verevening Pensioenrechten niet van toepassing is.