ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WWB-arbeidsverplichtingen
Appellant, bijstandsgerechtigde op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), kreeg aanvankelijk een tijdelijke ontheffing van arbeidsverplichtingen opgelegd door het College van burgemeester en wethouders van Utrecht. Bij besluit van 7 september 2006 werd deze ontheffing beëindigd en werden de arbeidsverplichtingen weer opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 19 december 2006 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit in een uitspraak van 22 juni 2007.
Appellant stelde zich in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve vast dat appellant geen procesbelang meer had, omdat het College op 7 januari 2009 opnieuw vrijstelling verleende tot 1 september 2009. Tevens werden geen maatregelen getroffen wegens het niet nakomen van arbeidsverplichtingen in de afgesloten periode. Een oordeel over die afgesloten periode zou geen invloed hebben op toekomstige rechten.
Appellant voerde nog aan immateriële schade te hebben geleden, maar maakte dit niet aannemelijk. Ook een vordering tot vergoeding van proceskosten kon geen procesbelang opleveren. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.