ECLI:NL:CRVB:2017:347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2017
Publicatiedatum
1 februari 2017
Zaaknummer
15/4944 WSF
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang in bestuursrechtelijke zaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nam in de tussentijd een nieuw besluit. Appellante gaf aan dat haar belang bij het hoger beroep enkel nog lag in de proceskosten. Er bestond geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen.

De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak geen procesbelang kan worden ontleend aan een veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Gezien het ontbreken van een inhoudelijk geschil werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad veroordeelde de minister wel tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep, begroot op €1.485,- voor beroepsmatige rechtsbijstand, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €168,-.

De uitspraak werd gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier R.L. Rijnen, op 1 februari 2017.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

15/4944 WSF, 16/5763 WSF
Datum uitspraak: 1 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2015, 15/655 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Celebi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft op 4 april 2015 een nieuw besluit genomen.
Bij brieven van 21 oktober 2016 en 18 november 2016 is namens appellante aan de Raad bericht dat appellantes belang bij voortzetting van de hoger beroepsprocedure enkel nog gelegen is in de proceskosten. Partijen hebben vervolgens toestemming verleend om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

OVERWEGINGEN

1. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3666) kan geen procesbelang worden ontleend aan de verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Nu er ook overigens tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
2. Omdat de minister aan appellante is tegemoetgekomen bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 1.485,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (één punt voor het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting in beroep en één punt voor het hoger beroepschrift).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-;
  • bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.L. Rijnen
UM