ECLI:NL:CRVB:2009:BI3734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek en passende WAO-functies
Appellant, werkzaam als bootsman, meldde zich op 11 juli 2006 ziek met beenklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 13 september 2006 werd geconcludeerd dat hij geschikt was voor zijn arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld introk. Appellant maakte bezwaar en werd aanvullend onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts, die eveneens concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat geen informatie was ingewonnen bij de behandelend sector en dat hij door ernstige doorbloedingsstoornissen meer beperkt was dan aangenomen. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant terecht geschikt was geacht.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de functies moeten worden verstaan die in het kader van de WAO per 2 november 2003 aan appellant waren voorgehouden. De Raad stelde dat een verzekeringsarts in beginsel mag afgaan op eigen oordeel en dat raadpleging van de behandelend sector alleen nodig is bij lopende of te verwachten behandelingen met beduidend effect of bij een afwijkend standpunt. Dit was hier niet het geval. Het medisch onderzoek werd als voldoende zorgvuldig beoordeeld en er was geen aanleiding tot twijfel aan de geschiktheid van appellant voor de WAO-functies.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geschikt is geacht voor zijn arbeid en geen recht meer heeft op ziekengeld.