ECLI:NL:CRVB:2008:BF5131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogensvaststelling bij bijstand na scheiding en schuld aan ouders
Appellant had een schuld van €9.000 aan zijn ouders, naast een andere schuld van €35.000 die was toegedeeld aan zijn ex-echtgenote in een echtscheidingsconvenant. Het College had bij de vaststelling van het vermogen voor bijstand de schuld van €9.000 buiten beschouwing gelaten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat een schuld alleen in aanmerking wordt genomen bij vermogensvaststelling als sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Uit de stukken bleek dat appellant sinds mei 2004 geen aflossingen had gedaan en dat de schuld afhankelijk was gesteld van toekomstige financiële ruimte, waardoor geen daadwerkelijke verplichting bestond.
De Raad maakte onderscheid tussen de twee schulden en oordeelde dat het feit dat op de andere schuld wel was afgelost, niet relevant was voor de beoordeling van de €9.000 schuld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de schuld van €9.000 aan ouders niet in aanmerking wordt genomen bij vermogensvaststelling wegens ontbreken van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.