ECLI:NL:CRVB:2012:BY6620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht bijstandsverlening en vermogensvaststelling met studieschuld
Appellant vroeg bijstand aan en stelde dat bijstandsverlening met terugwerkende kracht vanaf medio 2008 of 1 januari 2009 gerechtvaardigd was vanwege een eerdere melding bij het CWI en onvolledige informatieverstrekking. Tevens betwistte hij de vaststelling van zijn vermogen omdat het college geen rekening hield met een studieschuld aan zijn ouders.
De Raad overwoog dat bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt verleend tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De melding bij het CWI en de informatieverstrekking waren onvoldoende om van bijzondere omstandigheden te spreken. Het was de eigen verantwoordelijkheid van appellant om tijdig een aanvraag in te dienen.
Verder stelde appellant dat zijn studieschuld aan zijn ouders in mindering moest worden gebracht op het vermogen. Hoewel hij een contract overlegde waarin terugbetaling was afgesproken, ontbrak het aan voldoende concreet, objectief en verifieerbaar bewijs dat er ten tijde van de aanvraag een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. De Raad verwierp daarom ook dit verweer.
Het verzoek om schadevergoeding wegens vertraagde uitbetaling werd eveneens afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstandsverlening met terugwerkende kracht wordt niet toegekend; de studieschuld wordt niet in mindering gebracht op het vermogen.