ECLI:NL:CRVB:2008:BD5413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand en arbeidsverplichtingen in WWB-zaak
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 april 2005, maar deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Later vroeg appellant opnieuw bijstand aan met dezelfde ingangsdatum, waarop het Dagelijks Bestuur bijstand toekende met ingang van 7 oktober 2005. De Raad oordeelt dat het bestuursorgaan bevoegd is om een eerdere afwijzing inhoudelijk te heroverwegen, maar dat de rechter zich moet beperken tot toetsing op nieuwe feiten of omstandigheden. Er zijn geen nieuwe feiten die een eerdere toekenning rechtvaardigen, zodat de bijstand niet eerder dan 7 oktober 2005 kan ingaan.
Verder oordeelt de Raad dat de mededeling over oplegging van arbeidsverplichtingen aan appellant geen besluit in de zin van de Awb is, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De ontheffing van arbeidsverplichtingen voor de partner [O.] tot 1 maart 2006 is terecht verleend en het bezwaar daartegen ongegrond. De rechtbank heeft fouten gemaakt in haar oordeel over deze punten, waardoor de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.
De Raad veroordeelt het Dagelijks Bestuur tot betaling van proceskosten aan appellant en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit over arbeidsverplichtingen vernietigd en het Dagelijks Bestuur veroordeeld tot proceskostenbetaling.