ECLI:NL:CRVB:2008:BC9353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens niet-rechtmatig verblijf en ontbreken werknemerstatus
Appellant, van Marokkaanse nationaliteit, werkte sinds 1998 in Nederland en viel in 2002 uit voor zijn werk. Hij kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend op basis van arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van de voormalige werkgever concludeerde het UWV dat appellant niet verzekerd was voor de WAO omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij geen werknemer in de zin van de WAO was. De uitkering werd daarom ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant tot 31 juli 2003 niet rechtmatig verbleef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel verzekerd was omdat er premies werden afgedragen en dat de uitkering slechts had moeten worden opgeschort, niet ingetrokken.
De Raad concludeerde dat appellant vanaf 5 augustus 1999 tot zeker 20 juli 2004 weliswaar in afwachting was van een verblijfsvergunning, maar dat hij niet als werknemer in de zin van de WAO kon worden beschouwd omdat hij niet rechtmatig verbleef en geen tewerkstellingsvergunning was verleend. Het feit dat premies werden afgedragen gaf geen recht op uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat. De Raad bevestigde de intrekking van de uitkering en verwierp het beroep van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WAO wordt beschouwd vanwege zijn niet-rechtmatig verblijf.