ECLI:NL:CRVB:2008:BC3306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks twijfel over medisch onderzoek en onafhankelijkheid deskundige
Appellant, voormalig monteur, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval in 1989. Na een herbeoordeling in 2002 werd zijn uitkering verlaagd op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek.
In bezwaar werd door verschillende artsen gerapporteerd, waaronder een neuropsycholoog en psychiater die concludeerden dat er geen objectieve medische beperkingen waren die de arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. Appellant stelde dat hij niet persoonlijk was onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts en betwijfelde de onafhankelijkheid van de psychiater.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een persoonlijk onderzoek niet automatisch leidt tot onzorgvuldigheid, zeker gezien de uitgebreide medische informatie. Ook werd de onafhankelijkheid van de psychiater niet in twijfel geaccepteerd omdat een vaste adviesrelatie met het UWV niet impliceert dat het oordeel niet onafhankelijk is. De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat appellant de geselecteerde functies kon verrichten.
De rechtbank had echter vastgesteld dat bij de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit een rekenfout was gemaakt, waardoor het percentage werd aangepast van 22,6% naar 29%. Dit deel van het besluit werd vernietigd en herzien. Voor het overige bleef het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt bevestigd, behalve de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit die wordt gecorrigeerd naar 25-35%.