ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering ondanks inkomen uit arbeid en traagheid UWV
Appellant, voorheen werkzaam bij de Rijkspolitie, ontving een WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 1996. Vanaf 9 november 1998 verrichtte hij werkzaamheden binnen een leer/werktraject, wat leidde tot een herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV op basis van artikel 44 van Pro de WAO. Het UWV verlaagde de uitkering vanwege het inkomen uit arbeid en vorderde later onverschuldigd betaalde bedragen terug.
Appellant stelde dat de toepassing van anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht niet redelijk was, mede vanwege de traagheid van het UWV en het ontbreken van dringende redenen om terugvordering te voorkomen. De Raad oordeelde dat het inkomen uit arbeid redelijkerwijs duidelijk van invloed kon zijn op de uitkering en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden. De traagheid van het UWV was onvoldoende zwaarwegend om de terugvordering te verhinderen.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het bezwaar tegen de herziening ongegrond verklaarde en de terugvordering deels vernietigde vanwege verrekening met een mogelijk na te betalen invaliditeitspensioen. De Centrale Raad concludeerde dat de UWV-besluiten rechtmatig waren en dat de terugvordering terecht plaatsvond.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft gehercalculeerd en teruggevorderd wegens inkomen uit arbeid.