ECLI:NL:CRVB:2006:AY5170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant ontving bijstandsuitkering volgens de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het netto-minimumloon, gebaseerd op het opgegeven woonadres. Na vermoeden van zwartwerk en niet-woonachtig zijn op dat adres, stelde het College een onderzoek in en concludeerde dat appellant feitelijk inwonend was bij zijn vader.
Het College herzag het recht op bijstand over de periode van 14 oktober 2003 tot en met 31 januari 2004 en vorderde te veel ontvangen bijstand terug. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het College, maar handhaafde de rechtsgevolgen van de herziening en terugvordering over de periode tot 31 december 2003.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College bevoegd was de bijstand te herzien en terug te vorderen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) voor de periode tot 1 januari 2004 en de Wet werk en bijstand (WWB) voor januari 2004. De Raad bevestigt dat appellant de inlichtingenplicht schond door niet te melden dat hij niet op het opgegeven adres woonde, waardoor hij ten onrechte een hogere toeslag ontving.
De Raad vindt het beleid van het College om in dergelijke gevallen standaard tot terugvordering over te gaan niet onredelijk en ziet geen dringende redenen om hiervan af te wijken. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waarmee de herziening en terugvordering gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.