ECLI:NL:CRVB:2005:AU6503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht kinderbijslag bij Iraanse vluchteling
Appellante, een Iraanse vluchteling, vroeg kinderbijslag aan met terugwerkende kracht vanaf het moment dat zij en haar kinderen een verblijfsvergunning kregen. De Sociale verzekeringsbank kende kinderbijslag toe vanaf het eerste kwartaal 2001, later gewijzigd naar het eerste kwartaal 2000. Appellante stelde dat vanwege haar verblijfsstatus en onwetendheid sprake was van een bijzonder geval dat terugwerkende kracht rechtvaardigde.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante niet verschoonbaar onbekend was met haar recht op kinderbijslag en dat geen bijzonder geval bestond. De Centrale Raad van Beroep liet de vraag of appellante vóór 1 juli 1998 verzekerd was in het midden, maar bevestigde dat geen bijzonder geval aanwezig is om af te wijken van de standaardtermijn van één jaar terugwerkende kracht.
De Raad benadrukte dat onbekendheid met rechten geen bijzonder geval vormt en dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij de Sociale verzekeringsbank tijdig had geïnformeerd over haar verblijfsprocedure. De beslissing van de Sociale verzekeringsbank om kinderbijslag toe te kennen vanaf het eerste kwartaal 2000 blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De kinderbijslag wordt toegekend vanaf het eerste kwartaal 2000, geen bijzonder geval voor terugwerkende kracht.