ECLI:NL:CRVB:2010:BO5799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over recht op kinderbijslag met beperkte terugwerkende kracht
Appellant heeft medio 2007 kinderbijslag aangevraagd voor zijn dochters met terugwerkende kracht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het derde kwartaal 2006, maar wees een aanvraag voor een langere terugwerkende periode af. Appellant voerde aan dat hij vanwege de complexiteit van de regelgeving en zijn verblijfsrechtelijke situatie niet eerder een aanvraag kon indienen.
De rechtbank oordeelde dat de redenen van appellant geen bijzonder geval vormden zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Onbekendheid met het recht op kinderbijslag is volgens vaste jurisprudentie geen verschoonbare reden. Ook was appellant niet tijdig of voldoende geïnformeerd over zijn verblijfsprocedure door de Svb.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellant vanaf medio 2007 kennelijk onbekend was met zijn aanspraak, maar dat deze onbekendheid niet verschoonbaar is gezien eerdere aanvragen en procedures. De Raad bevestigde dat het recht op kinderbijslag niet verder teruggaat dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval, wat hier niet is aangetoond.
De Raad wees ook het beroep van appellant af dat hij niet in staat was de Svb te informeren over zijn verblijfsprocedure, aangezien de toekenning van de verblijfsvergunning niet ambtshalve was geschied. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; kinderbijslag toegekend vanaf derde kwartaal 2006.