ECLI:NL:CRVB:2012:BV2772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning kinderbijslag vanaf derde kwartaal 2008 zonder bijzonder geval
Appellant had in september 2005 kinderbijslag aangevraagd, maar deze werd afgewezen vanwege zijn verblijfsstatus. In juli 2009 diende hij een nieuwe aanvraag in met verzoek om terugwerkende kracht, onderbouwd met een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf augustus 2006.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het derde kwartaal 2008, maar weigerde verdere terugwerkende kracht omdat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Appellant stelde dat hij redelijkerwijs kon menen dat recht op kinderbijslag pas zou ontstaan na verlening van de verblijfsvergunning, en dat hij daarom aanspraak maakte op meer terugwerkende kracht. De Raad oordeelde dat dit geen bijzonder geval oplevert, mede omdat appellant de Svb niet tijdig en voldoende heeft geïnformeerd over zijn verblijfsstatus en procedure.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het hoger beroep af. Tevens werd overwogen dat geen toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aan de orde is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2008 wordt bevestigd zonder verdere terugwerkende kracht.