ECLI:NL:CRVB:2005:AT1852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- N. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en dagloonvaststelling
Appellant, een voormalig timmerman, viel uit na een auto-ongeval in 1998 en ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na medische en arbeidsdeskundige onderzoeken werd de uitkering herzien en uiteindelijk ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de voor hem geselecteerde functies medisch ongeschikt waren en dat het dagloon te laag was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de medische beperkingen van appellant beperkt waren tot het patroon vastgesteld in januari 2001, waarbij werk met afwisseling in staan, lopen en zitten passend werd geacht. De functies die appellant werden voorgehouden, waaronder bankbediende en statistisch medewerker, vereisten geen specifieke werkervaring en appellant beschikte over een LTS-diploma, wat voldoende werd geacht voor deze functies.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De klacht over het dagloon werd als niet-ontvankelijk beoordeeld omdat deze beslissing informatief was en geen rechtsgevolgen had. De uitspraak bevestigt dat de WAO-uitkering per 15 november 2001 wordt vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WAO-uitkering wordt vastgesteld op 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid per 15 november 2001.