ECLI:NL:CRVB:2005:AS5012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- M.M. van der Kade
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening WAO-uitkering wegens andere oorzaak toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 1994 een WAO-uitkering ontvangt vanwege psychische klachten, verzocht om herziening van haar uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid door nek- en armklachten na een operatie in 2000. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde de herziening omdat deze toename kennelijk voortkomt uit een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering oorspronkelijk werd toegekend.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het relevante moment voor het vaststellen van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ligt bij de eerste vaststelling van een uitkering onder 45% arbeidsongeschiktheid, hier 4 november 1994. Destijds had appellante psychische klachten, maar geen nek- of armklachten. De toename van haar arbeidsongeschiktheid door de nekhernia en armklachten is daarmee een andere oorzaak.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de psychische klachten waren toegenomen en oordeelde dat de weigering van herziening terecht was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van herziening van de WAO-uitkering wegens toename van arbeidsongeschiktheid door een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering werd toegekend.