ECLI:NL:CRVB:2004:AR2764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag voor in Pakistan verblijvende kinderen op grond van Wet BEU en internationale verdragen
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van kinderbijslag voor zijn kinderen die sinds april 2000 in Pakistan verblijven. De Sociale verzekeringsbank had op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) de kinderbijslag geweigerd omdat Pakistan geen land is waarvoor kinderbijslag geëxporteerd mag worden.
De rechtbank Rotterdam had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat de Wet BEU een gerechtvaardigd doel dient en het indirecte onderscheid naar nationaliteit proportioneel en objectief gerechtvaardigd is. Appellant betoogde in hoger beroep dat de weigering in strijd is met het Europees Protocol bij het EVRM, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het IAO-verdrag 118.
De Raad overwoog dat appellant voorafgaand aan het vierde kwartaal 2000 geen recht op kinderbijslag had en dat de weigering geen ontneming van eigendom in de zin van het EVRM betekent. Het beroep op het IAO-verdrag 118 faalt omdat Pakistan dit verdrag niet voor gezinsbijslagen heeft aanvaard en het verdrag alleen directe discriminatie naar nationaliteit verbiedt. Ook het indirecte onderscheid van de Wet BEU is gerechtvaardigd geacht op grond van het doel de handhaafbaarheid van uitkeringen te verbeteren.
De Raad concludeerde dat de weigering van kinderbijslag in overeenstemming is met het nationale recht en niet in strijd is met de genoemde internationale verdragen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; weigering kinderbijslag bevestigd.