ECLI:NL:CRVB:2009:BI0952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging AOW-pensioen wegens ontbreken overgangsregeling en strijd met eigendomsrecht
Appellant, woonachtig in Madagascar sinds 1974 en sinds 1963 niet meer in Nederland, ontving een AOW-pensioen dat in 2004 werd toegekend op het maximale bedrag voor een ongehuwde. Na inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) werd zijn pensioen per 1 januari 2006 verlaagd naar het gehuwdennormbedrag, omdat Madagascar geen handhavingsverdrag met Nederland heeft.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze verlaging ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat deze verlaging zonder overgangsregeling onredelijk was en in strijd met zijn eigendomsrecht volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Raad oordeelde dat hoewel de Wet BEU een legitiem algemeen belang dient en de verlaging bij wet is geregeld, het ontbreken van een overgangsregeling leidt tot een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht van appellant. Tevens concludeerde de Raad dat Nederland tekort is geschoten in de implementatie van ILO-conventie 118, waardoor de verlaging zonder compensatie niet toelaatbaar is.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit moet nemen, waarbij een redelijke compensatie in de vorm van een afbouwregeling moet worden overwogen. De Raad wees ook het beroep toe en vergoedde het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De verlaging van het AOW-pensioen van appellant wordt vernietigd wegens het ontbreken van een overgangsregeling en strijd met het eigendomsrecht.