ECLI:NL:CRVB:2004:AO8668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens onduidelijkheid dienstbetrekking en loonbetaling
Appellant was sinds 8 juni 1998 werkzaam als internationaal chauffeur en stopte op 18 januari 2000 met werken wegens ziekte. Na een vakantieperiode en een ongeval in Turkije werd appellant opnieuw arbeidsongeschikt. De werkgever beëindigde de loonbetaling en stelde dat het dienstverband per 28 december 2000 was ontbonden via een beschikking van de kantonrechter.
Appellant betwistte dat het dienstverband eerder was geëindigd en stelde dat hij recht had op doorbetaling van loon en ziekengeld. De rechtbank oordeelde dat de stopzetting van loonbetaling vóór 28 december 2000 onvoldoende was om het dienstverband te beëindigen en dat gedaagde terecht ziekengeld weigerde over die periode. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, stellende dat appellant in redelijkheid een loonvordering had kunnen instellen en dat het ontbreken van een bodemprocedure voor rekening van appellant blijft.
De Raad benadrukte dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter doorslaggevend is en dat het UWV niet gehouden is ziekengeld te betalen zolang onzekerheid bestaat over de loonbetalingsverplichting van de werkgever. De weigering van ziekengeld wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld over de periode tot 28 december 2000 vanwege het ontbreken van een beëindigd dienstverband en het niet instellen van een loonvordering.