ECLI:NL:CRVB:2004:AO4150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 3 Fooienbesluit bij niet-algemeen verbindende CAO-periodes in horeca
Appellante, exploitant van een café, voerde bezwaar aan tegen correctienota's en boetenota's over de jaren 1994-1997, opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens niet-naleving van de CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf. Zij betoogde dat het Fooienbesluit niet op haar van toepassing was, onder meer omdat artikel 7 van Pro de CAO sinds 1993 niet meer over het minimumloon zou gaan en omdat het Fooienbesluit slechts voor een beperkte groep werknemers geldt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat artikel 3 van Pro het Fooienbesluit duidelijk verwijst naar het minimumloon volgens de CAO, ongeacht de wijziging in artikelnummering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat in perioden waarin de CAO niet algemeen verbindend was verklaard, het Fooienbesluit niet toegepast kon worden.
De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de rechtbank en het Uwv en oordeelde dat het begrip "het voor hem geldende minimumloon ingevolge artikel 7 van Pro de CAO" moet worden uitgelegd als het minimumloon volgens de CAO, ongeacht de algemeen verbindende verklaring. Het Fooienbesluit is bedoeld als praktische waarderingsregel voor fooien in de horeca en is niet afhankelijk van de algemeen verbindende status van de CAO. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; het Fooienbesluit is van toepassing ook in perioden zonder algemeen verbindende CAO.