ECLI:NL:CRVB:2001:AB3231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en leeftijdsdiscriminatie bij overgangsrecht
Appellant, die sinds een bedrijfsongeval in 1985 arbeidsongeschikt is, kreeg aanvankelijk een uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid toegekend. Na invoering van de Wet terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet TBA) werd zijn uitkering herzien naar 25-35% (besluit I). De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de herziening onterecht was en dat hij recht had op een hogere uitkering (80-100%). Gedaagde trok besluit I in en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 35-45% (besluit II). De Raad vernietigde besluit I wegens onjuiste grondslag en verklaarde het beroep tegen besluit II ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was.
Appellant voerde tevens aan dat het overgangsrecht in de wet TBA leeftijdsdiscriminatie oplevert, omdat oudere uitkeringsgerechtigden een gunstiger regime behouden. De Raad oordeelde dat dit onderscheid objectief en redelijk is en niet in strijd met artikel 1 Grondwet Pro of artikel 26 IVBPR Pro. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant niet tot de oudere categorie behoorde.
De Raad wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk leed. Wel werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het verschil in uitkering vanaf april 1997 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Besluit I wordt vernietigd, beroep tegen besluit II wordt ongegrond verklaard, en gedaagde wordt veroordeeld tot schadevergoeding van wettelijke rente en griffierecht.