ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging termijnstelling nieuw besluit en schorsende werking hoger beroep in WW-uitkeringszaak
Het geschil betreft een beslissing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om aan gedaagde geen WW-uitkering toe te kennen vanaf 16 september 1992, omdat hij niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en stelde de Lisv binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Appellant stelde in hoger beroep dat deze termijn onjuist was, omdat volgens het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten een termijn van 13 weken geldt voor primaire beslissingen en beslissingen op bezwaar. De Raad verwierp dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank bevoegd was een kortere termijn te stellen voor het uitvoeren van haar uitspraak, mede gelet op de noodzaak van bijzondere voortvarendheid.
Verder bevestigde de Raad dat op grond van artikel 19 van Pro de Beroepswet de werking van de uitspraak, inclusief de gestelde termijn, wordt opgeschort zolang het hoger beroep loopt. De Raad verklaarde appellant ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Raad bevestigt de termijnstelling van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit en verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.