Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Overwegingen
Pinken (hok 3)
Kalveren/pinken (hok 2)
Kalveren/pinken (hok 2)
risicoop bezoedeling levert volgens de maatschap geen overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd op. De maatschap wijst er verder op dat uit de veterinaire verklaring van 13 oktober 2021 blijkt dat de algemene gezondheidstoestand van de runderen goed was. De maatschap voert ook aan dat de minister in feite handhavend optreedt vanwege de
wijze van toedieningvan het voer, maar dat artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd daar geen grondslag voor kan zijn, omdat het voer op het moment van toediening gezond en geschikt was. Dan had de minister artikel 2.4, zevende lid, van het Bhd aan het dwangsombesluit ten grondslag moeten leggen.
maatregel 1 van het dwangsombesluit is gehandhaafd. Het College zal ook het dwangsombesluit in zoverre herroepen en zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit. Het College zal verder gelet op overweging 6.4 de invorderingsbeschikking vernietigen, voor zover daarbij is bepaald dat de maatschap € 45.000, moet betalen, het te betalen bedrag zelf vaststellen op 40.000,- en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de invorderingsbeschikking.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het zinsdeel ‘niet bezoedeld is door uitwerpselen’ in maatregel 1 van het dwangsombesluit is gehandhaafd;
- herroept het dwangsombesluit wat dat zinsdeel in maatregel 1 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- vernietigt de invorderingsbeschikking voor zover daarbij € 45.000,- is ingevorderd;
- stelt het in te vorderen bedrag vast op € 40.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de invorderingsbeschikking;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan de maatschap van een vergoeding voor immateriële schade van € 2.000,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,00 aan de maatschap te vergoeden;