Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:287

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
22/521 en 22/1030
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 Wet dierenArt. 1.7 Besluit houders van dierenArt. 5:24 AwbArt. 5:25 AwbArt. 5:31c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen kostenverhaal en spoedbestuursdwang bij dierenwelzijnscontrole

Appellante hield een groot aantal katten in haar woning, waarbij toezichthouders ernstige overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren constateerden. Naar aanleiding hiervan werden de dieren tweemaal in bewaring genomen via bestuursdwang, waarvan de tweede keer spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last. De staatssecretaris legde kostenverhaalsbesluiten op voor de gemaakte kosten van opvang en dierenartszorg.

Appellante voerde onder meer aan dat zij haar dieren beter verzorgde dan de opvang, dat sprake was van dubbele bestraffing (ne bis in idem), dat de kosten onduidelijk waren en dat zij onvoldoende draagkracht had om de kosten te betalen. Het College oordeelde dat bestuursdwang een herstelmaatregel is en geen bestraffing, waardoor ne bis in idem niet van toepassing is. De formele rechtskracht van het bestuursdwangbesluit stond vast, zodat bezwaren tegen de zorg van de dieren niet in deze procedure konden worden ingebracht.

De rechtmatigheid van de spoedbestuursdwang werd bevestigd op basis van gedetailleerde rapporten en een dierenartsverklaring die ernstige gezondheidsrisico's en onhygiënische omstandigheden aantoonde. De binnentreding door toezichthouders was rechtmatig op grond van een machtiging van de burgemeester. Het beroep op onvoldoende draagkracht faalde omdat appellante onvoldoende financiële gegevens had verstrekt. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen wegens het ontbreken van onrechtmatige besluiten.

Het College verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de kostenverhaalsbesluiten en de toepassing van spoedbestuursdwang.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de kostenverhaalsbesluiten en spoedbestuursdwang wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/521 en 22/1030

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 op de beroepen van

[naam 1] , te [woonplaats] (appellante)

en

de staatssecretaris (voorheen minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. S. Piron)

Procesverloop in beroep

Zaak 22/1030
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van 29 april 2022 (bestreden besluit I) waarbij het door appellante gerichte bezwaar tegen het kostenverhaalsbesluit van 19 januari 2022 waarbij een bedrag van € 8.048,32 op haar werd verhaald vanwege uitgeoefende bestuursdwang op 25 september 2021, ongegrond is verklaard.
Zaak 22/521
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van 23 maart 2022 (bestreden besluit II) waarbij de staatssecretaris het door appellante ingestelde bezwaar tegen de op 16 december 2021 uitgeoefende spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last vanwege overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd) dat met het besluit van 30 december 2021 op schrift is gesteld, ongegrond heeft verklaard.
Het beroep van appellante betreft ook het besluit van 25 november 2022 van de staatssecretaris waarbij de kosten van de hiervoor genoemde uitgeoefende spoedbestuursdwang tot een bedrag van € 61.047,86 op appellante zijn verhaald (bestreden besluit III).
In beide zaken
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
De staatssecretaris heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 8 december 2025. Aan de zitting hebben appellante en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Namens de staatssecretaris waren ook aanwezig: [naam 2] en [naam 3] , districtsinspecteurs van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID).
Op 15 januari 2026 heeft het College het onderzoek heropend en appellante in de gelegenheid gesteld nadere stukken aan te dragen waarmee haar draagkracht kan worden vastgesteld. Appellante heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt en de staatssecretaris heeft hier schriftelijk op gereageerd.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Waar gaan deze zaken over?

1.1
Dit beroep gaat over drie besluiten waar appellante het niet mee eens is. De besluiten zijn genomen naar aanleiding van controles van toezichthouders van de LID in de woning van appellante. Deze toezichthouders hebben geconstateerd dat appellante in haar woning een zeer groot aantal katten hield. De katten zijn tweemaal via bestuursdwang in bewaring genomen, omdat de dieren volgens de staatssecretaris, kort gezegd, niet de nodige zorg kregen van appellante. De drie besluiten waar het in dit geschil om draait, zijn: (1) het kostenverhaalsbesluit vanwege de eerste inbewaringneming op 25 september 2021 (zaak 22/1030: bestreden besluit I), (2) het tweede besluit tot inbewaringneming op 16 december 2021 (spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last: bestreden besluit II) en (3) het kostenverhaalsbesluit dat daar bij hoort (bestreden besluit III). Bestreden besluiten II en III maken onderdeel uit van zaak 22/521.
Zaak 22/1030 – kostenverhaal vanwege uitoefening bestuursdwang (bestreden besluit I)
1.2
Op 4 januari 2021 heeft een agent van de (dieren)politie in samenwerking met een districtsinspecteur van de LID onderzoek gedaan naar de gezondheid en het welzijn van de dieren van appellante. Op basis van hun bevindingen heeft de staatssecretaris geconstateerd dat er sprake was van overtredingen van de Wet dieren en van het Bhd. Daarom heeft de staatssecretaris bij besluit van 29 januari 2021 een last onder bestuursdwang en een last ter voorkoming van herhaling opgelegd. Tegen dit besluit is appellante niet opgekomen, waardoor het in rechte vaststaat.
1.3
Tijdens een hercontrole op 6 april 2021 bleek dat appellante niet had voldaan aan de in de hiervoor genoemde last opgelegde maatregelen. Er is toen besloten de dieren niet mee te nemen maar appellante nog één kans te geven om aan de maatregelen te voldoen. Daarom is uitstel verleend tot 20 mei 2021. In de daaropvolgende periode is geprobeerd om opnieuw een controle uit te voeren, maar dat is niet gelukt omdat de toezichthouders de woning niet konden betreden. Op 25 september 2021 heeft de hercontrole uiteindelijk wel plaatsgevonden. Volgens de toezichthouders waren de in de last opgelegde maatregelen niet uitgevoerd en was de situatie in de woning verslechterd. Besloten is tot uitoefening van de bestuursdwang: vanwege niesziekte zijn 49 volwassen katten en 8 kittens in bewaring genomen.
1.4
Omdat appellante de in bewaring genomen dieren graag terug wilde, heeft op 14 oktober 2021 een hercontrole van de woning plaatsgevonden (dagtekening rapport 15 oktober 2021). Toen is appellantes woning akkoord bevonden. Op 19 oktober 2021 zijn 52 dieren aan appellante teruggegeven. Voor een aantal dieren is daarbij ook een behandelplan meegegeven. Voorafgaand aan de teruggave heeft appellante een bedrag van € 9.563,50 aan geschatte opvangkosten voldaan.
1.5
Op 4 januari 2022 is het voornemen tot kostenverhaal verzonden voor de daadwerkelijk gemaakte kosten over de periode 25 september – 19 oktober 2021. Op 19 januari 2022 is de kostenverhaalsbeschikking genomen ter hoogte van een bedrag van in totaal
€ 18.388,73. Na aftrek van bepaalde kosten en het al door appellante voldane bedrag, resteerde een nog te betalen bedrag van € 8.048,32. Met het besluit van 29 april 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (bestreden besluit I) is het beroep van appellante gericht.
Zaak 22/521 – uitoefening spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last en kostenverhaal (bestreden besluit II en bestreden besluit III)
1.6
Op 16 december 2021 hebben gemeentelijke inspecteurs in het kader van het toezicht op de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en het bestemmingsplan een controle uitgevoerd in en aan de woning van appellante. De inspecteurs beschikten over een machtiging tot binnentreding van de burgemeester. Tijdens deze controle troffen de gemeentelijke toezichthouders volgens het gemeentelijke rapport een zeer vervuilde woning aan met daarin een groot aantal katten en twee honden. Om te beoordelen of sprake was van het bedrijfsmatig houden van katten wat in het kader van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan, hebben de gemeentelijke inspecteurs de LID gevraagd ter plaatse gekomen. Eenmaal ter plaatse stelden de districtsinspecteurs van de LID vast dat de katten vermoedelijk een besmettelijke ziekte hadden. Besloten is om een selectie van representatieve gevallen (drie katten) voor te leggen aan de dierenarts en ook zijn oordeel te vragen over de katten die op foto waren vastgelegd. Ook zijn enkele foto’s van de woning met de dierenarts gedeeld. Volgens de dierenarts verkeerden de onderzochte dieren in een slechte gezondheidstoestand en vertoonden zij inderdaad symptomen van niesziekte en diarree. Aan de hand van de foto’s van de in de woning achtergebleven katten vermoedde de dierenarts dat de katten op de foto’s veelal dezelfde klachten hadden als de onderzochte katten. De districtsinspecteurs hebben daarom alle in de woning aanwezige dieren (75 katten en 2 honden) met spoedbestuursdwang in bewaring genomen. De woning is dezelfde dag voor de duur van zes maanden gesloten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. Volgens de gemeentelijke inspecteurs was geen sprake van een woning die zich in een zodanig zindelijke staat bevond dat er geen gevaar was voor de gezondheid van personen (artikel 7.21 en 7.22 Bouwbesluit 2012).
1.7
Van de inspectie is op 20 december 2021 door de gemeentelijke inspectiedienst een naar waarheid opgemaakt inspectierapport opgesteld (gemeentelijk rapport). Op 21 december 2021 is een naar waarheid opgemaakt rapport van bevindingen opgesteld door de districtsinspecteurs van de LID (rapport).
1.8
Met het besluit van 30 december 2021 heeft de staatssecretaris zijn beslissing tot toepassing van de spoedbestuursdwang op schrift gesteld. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat sprake was van overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd. Op 11 januari 2022 heeft appellante bezwaar ingediend tegen dit besluit. Met het besluit van 23 maart 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaarschrift van appellante ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft het besluit van 30 december 2021 gehandhaafd, onder aanvulling van artikel 1.7, onderdeel d, van het Bhd als rechtsgrondslag voor de bestuursdwang. Tegen dit besluit richt zich het beroep van appellante (bestreden besluit II).
1.9
Hangende beroep heeft appellante tweemaal een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij het College om haar dieren terug te krijgen. Het College heeft bij uitspraak van 4 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:161) de staatssecretaris opgedragen de twee honden aan appellante terug te geven. Het teruggaveverzoek voor de katten is afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris de katten ook niet langer in bewaring hoefde te houden.
1.1
Met het besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris een bedrag van
€ 61.047,86 aan kosten op appellante verhaald vanwege de op 16 december 2022 uitgeoefende spoedbestuursdwang (bestreden besluit III). Het kostenverhaal ziet op de kosten voor opvang van de in bewaring genomen dieren en de dierenartsverzorging over de periode 16 december 2021 t/m 3 april 2022. De staatssecretaris heeft afgezien van kostenverhaal voor de periode 4 april t/m 31 mei 2022 (na de uitspraak van de voorzieningenrechter) en enkele andere kosten waardoor de te verhalen kosten zijn beperkt tot € 61.047,86. In totaal had de staatssecretaris facturen ontvangen voor een bedrag van € 84.575,78. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt appellantes beroep zich ook tegen dit kostenverhaalsbesluit (bestreden besluit III).

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

Zaak 22/1030
3 .1 In het kader van haar beroep tegen het kostenverhaal dat het gevolg was van de toepassing van bestuursdwang op 16 september 2021, heeft appellante verschillende gronden aangevoerd. Zo meent appellante dat zij haar dieren beter heeft verzorgd dan de opvang heeft gedaan. Ook meent zij tweemaal te worden gestraft door het kostenverhaal (ne bis in idem). Vervolgens stelt appellante zich op het standpunt dat de staatssecretaris onvoldoende transparant was over de te verhalen kosten. Ook heeft appellante een beroep gedaan op haar geringe draagkracht. Tot slot heeft appellante een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Het College oordeelt dat deze gronden niet slagen. Het College licht dit als volgt toe.
Is sprake van ne bis in idem?
3.2
Appellante heeft een beroep gedaan op het ne bis in idem-beginsel. Het College oordeelt dat een beroep op dit beginsel in deze zaak niet opgaat. Het College licht dit oordeel als volgt toe.
3.3
Het ne bis in idem-beginsel volgt uit artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 50 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het beginsel is ook neergelegd in artikel 5:43 van Pro de Awb. Dit beginsel verbiedt dubbele bestraffing vanwege dezelfde overtreding. Het beginsel geldt daarom alleen voor bestraffende (punitieve) sancties. Een last onder bestuursdwang is op grond van artikel 5:21 van Pro de Awb geen sanctie met een bestraffend karakter, maar een sanctie met een herstelkarakter. Appellante wordt dus niet gestraft door de last, maar verzocht de overtredingen van de Wet dieren en het Bhd te beëindigen door bepaalde maatregelen te nemen. Wanneer de last niet op tijd wordt uitgevoerd, zoals in het geval van appellante, heeft het bestuursorgaan de bevoegdheid om de overtredingen door feitelijk handelen te beëindigen. Het kostenbesluit verhaalt alleen de kosten die met dit feitelijk handelen zijn gemoeid op appellante. Dit kostenverhaal is daarom ook geen bestraffende sanctie in de zin van de Awb. Er is dus geen sprake van een bestraffing, laat staan van een dubbele bestraffing.
3.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Is kostenverhaal onrechtmatig omdat de dieren in de opvang niet goed zijn verzorgd?
3.5
Volgens appellante staat vast dat zij haar katten beter heeft verzorgd dan de opvang. Er zijn in de opvang vijf dieren overleden. Ook zou een aantal dieren in de opvang een giardia-besmetting hebben opgelopen. Enerzijds trekt appellante hiermee de toepassing van de bestuursdwang in twijfel. Anderzijds meent zij dat de opvangkosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het College volgt appellante hierin niet. Hierna legt het College uit hoe het tot dit oordeel komt.
3.6
Voor zover appellante betoogt dat zij haar katten adequaat heeft verzorgd, en inbewaringneming niet nodig was, ketst deze grond naar het oordeel van het College af op de formele rechtskracht van het besluit tot toepassing van bestuursdwang en ter voorkoming van herhaling. Het College overweegt hierover het volgende.
3.7
Het College stelt vast dat appellante alleen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit I waarbij de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het kostenbesluit ongegrond heeft verklaard. Zij heeft geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld tegen het bestuursdwangbesluit en het besluit ter voorkoming van herhaling van 29 januari 2021. Dit betekent dat deze bestuursdwangbesluiten – en de daarin geconstateerde overtredingen – in rechte vaststaan en ten grondslag kunnen worden gelegd aan het naar aanleiding daarvan genomen kostenbesluit waartegen het beroep van appellante is gericht. Een belanghebbende kan in een procedure tegen een kostenbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij of zij tegen de last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is (zie onder meer de uitspraak van het College van 2 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:417, onder 4.2)). Appellante heeft niet aangevoerd dat sprake is van een uitzonderlijk geval. Ook het College is hiervan niet gebleken. De vraag of de verzorging door appellante adequaat was, is een stelling die ingebracht had moeten worden tegen het besluit onder bestuursdwang. Dat heeft appellante niet gedaan. Naar het oordeel van het College kan deze grond daarom niet meer worden ingebracht tegen het kostenverhaalsbesluit dat in dit beroep voorligt.
3.8
Appellante betoogt verder dat de opvangkosten redelijkerwijs niet op haar kunnen worden verhaald, omdat de dieren in de opvang niet goed zijn verzorgd. Enkele dieren zijn namelijk overleden en vier dieren hebben in de opvang een giardia-besmetting opgenomen. Het College stelt vast dat in de opvang inderdaad vijf dieren (drie katten en twee kittens) zijn overleden. De staatssecretaris heeft gemotiveerd aangetoond dat de betreffende dieren reeds verzwakt in de opvang aankwamen. Uit de verklaring van de opvang blijkt dat de betreffende kittens gedurende de opvang extra zijn bijgevoerd. Zij verkeerden echter in een dermate slechte conditie dat hun lichamen de voedingsstoffen onvoldoende konden opnemen. Ook dit blijkt uit de verklaring. Appellante heeft hier in beroep onvoldoende tegenovergesteld. Het College ziet daarom geen aanleiding om aan de verklaring van de opvang te twijfelen. Ook heeft appellante aangevoerd dat een aantal van haar kittens in de opvang een giardia-besmetting zou hebben opgelopen. Daartoe heeft appellante een dierenartsverklaring overgelegd. Het College overweegt dat de dierenarts verklaart dat de door haar positief op 20 oktober 2021 op giardia geteste kittens vier weken oud waren. De staatssecretaris heeft gemotiveerd aangetoond dat dit niet de in bewaring genomen kittens konden zijn, omdat die op dat moment geen vier weken oud waren. De staatssecretaris heeft er in dat kader op gewezen dat er een nestje kittens niet in bewaring was genomen op 25 september 2021, maar bij appellante was achtergebleven. Die kittens zouden op het moment van de dierenartscontrole wel vier weken oud zijn geweest. Bovendien heeft de staatssecretaris de dierenartsverklaring overgelegd die op het moment van vrijgave was afgegeven. Uit die verklaring blijkt evenmin van een giardia-besmetting. Het College stelt vast dat appellante hier in beroep geen andere stukken tegenover heeft gesteld. Het College oordeelt dat het ook op dit punt geen reden heeft om aan het standpunt van de staatssecretaris te twijfelen.
3.9
De beroepsgrond slaagt niet.
Is het kostenverhaal onrechtmatig omdat er onvoldoende transparantie is gegeven over de verwachte kosten?
3.1
Tijdens de zitting heeft appellante aangevoerd dat de transparantie van de (geschatte) kosten voor haar onvoldoende was. Appellante dacht met het voldoen van de geschatte kosten dat zij geen nadere kosten zou hoeven te betalen. Appellante meent dat die kosten daarom redelijkerwijs niet voor haar rekening komen.
3.11
Artikel 5:25, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de toepassing van bestuursdwang gebeurt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Op grond van artikel 5:25, tweede lid, van de Awb moet de last vermelden in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht. Dit betekent dat de staatssecretaris appellante in de last moet waarschuwen dat kostenverhaal zal plaatsvinden door in de last te vermelden in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.
3.12
Hoewel de last in het licht van wat het College heeft overwogen onder 6 in dit beroep niet meer ter discussie staat, heeft het College vastgesteld dat de staatssecretaris appellante in deze last 29 januari 2021 op de hoogte heeft gesteld van het kostenverhaal. Voor zover het betoog van appellante ziet op het verschil tussen de geschatte kosten van de inbewaringneming zoals die zijn vermeld in de brief over de vrijgave van de dieren en de uiteindelijke kosten die met het kostenverhaalsbesluit op appellante zijn verhaald, overweegt het College als volgt. Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris gemotiveerd uitgelegd waarom de kosten hoger zijn uitgevallen dan de geschatte kosten die appellante had voldaan in het kader van de teruggave van haar dieren op 19 oktober 2021. Bij de geschatte kosten was men uitgegaan van een teruggave op 8 oktober 2021. In werkelijkheid zijn de dieren pas op 19 oktober 2021 vrijgegeven. Een overzicht van de dagkosten voor opvang van de katten en kittens was bij de inbewaringneming aan appellante verstrekt. Dat het bedrag aan verschuldigde opvangkosten hoger zou zijn dan geschat, was dus wel voorzienbaar voor appellante. Ook waren de dierenartskosten bij de geschatte kosten onvoldoende meegenomen. In het voornemen tot kostenverhaal waren wel alle dierenartskosten opgenomen, voorzien van specificaties. Van de mogelijkheid om een zienswijze bij het voornemen in te dienen, heeft appellante geen gebruik gemaakt. Alle meerkosten, ook de dierenartskosten, blijken uit de onderbouwing en de specificaties die bij het kostenbesluit zijn gevoegd. De bezwaren die appellante tegen de dierenartskosten in bezwaar naar voren heeft gebracht, zijn door haar niet in beroep herhaald. Het bestreden besluit I bevat naar het oordeel van het College een uitvoerige toelichting waarom bepaalde door appellante betwiste dierenartskosten zijn gemaakt. Het College kan de uitleg en motivering van de staatssecretaris volgen. Het College oordeelt dan ook dat geen kosten in rekening zijn gebracht die redelijkerwijs niet voor rekening van appellante behoren te komen.
3.13
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de staatssecretaris (deels) af moeten zien van kostenverhaal vanwege de beperkte draagkracht van appellante?
3.14
Appellante heeft een beroep gedaan op draagkracht. Het College geeft daarover hierna onder 6 een afzonderlijk oordeel.
Schadevergoeding
3.15
Appellante heeft in beroep om een schadevergoeding verzocht vanwege de overleden katten. Zij heeft een schadeverzoek gedaan ter hoogte van € 80.000,-. In zaak 22/251 heeft zij een verzoek tot schadevergoeding gedaan ter hoogte van € 430.000,-. Het College zal over beide verzoeken gezamenlijk een oordeel geven onder 7 (Slotsom).
Tussenconclusie zaak 22-1080 – kostenverhaalsbesluit
3.16
De door appellante aangevoerde beroepsgronden onder 3.1 tot en met 3.13 slagen niet. Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris de nog niet voldane kosten gemoeid met de uitoefening van de bestuursdwang op 25 september 2021 op appellante mogen verhalen.
Zaak 22/521: bestreden besluit II
4.1
In beroep tegen de uitgeoefende spoedbestuursdwang op 16 december 2021 en het kostenverhaalsbesluit dat daarna is genomen, voert appellante ten eerste aan dat haar woning onrechtmatig is betreden door de toezichthouders van de LID. Ook was de sanctie van inbewaringneming van haar dieren onevenredig. Eerst had een waarschuwing gegeven moeten worden: er was immers sprake van een nieuwe overtreding. Bovendien was inbewaringneming volgens appellante ook niet nodig, omdat de bodyscore van de dieren goed was. Tot slot heeft appellante een beroep gedaan op onvoldoende draagkracht en een verzoek tot schadevergoeding ingediend.
Was de binnentreding rechtmatig?
4.2
Appellante meent dat de woning op 16 december 2021 onrechtmatig is betreden door de LID-inspecteurs. Zij heeft de gemeentelijke inspecteurs geen toestemming gegeven voor binnentreden en heeft zich teruggetrokken in de woning. Ter onderbouwing daarvan heeft zij Ring-deurbelvideo’s overgelegd (dat zijn de USB-beelden). De machtiging tot binnentreden was voor een beperkt aantal doelen afgegeven. Volgens appellante waren alleen derden die met de handhaving van die regelgeving bevoegd waren, bevoegd om binnen te treden. De regelgeving met betrekking tot het dierenwelzijn behoort daar niet toe.
4.3
Het College volgt appellante hierin niet. Daartoe overweegt het College als volgt. Artikel 8 van Pro de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) bepaalt dat een machtiging nodig is om een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Vaststaat dat de gemeentelijke inspecteurs beschikten over een machtiging tot binnentreding van de burgemeester. Een kopie van de machtiging bevindt zich in het dossier. Deze machtiging is
afgegeven ten behoeve van het uitoefenen van toezicht in het kader van het Bouwbesluit
2012 en het bestemmingsplan. Vaststaat dat de binnentreding door de gemeentelijke inspecteurs dus rechtmatig was. Nadat de gemeentelijke inspecteurs een zeer groot aantal katten in de woning aantroffen, hebben zij de LID gevraagd ter plaatse te komen, om vast te kunnen stellen of er sprake was van bedrijfsmatig handelen (fokken van katten) door appellante. Bedrijfsmatig handelen zou in strijd zijn met het bestemmingsplan. In de machtiging tot binnentreding van de gemeentelijke inspecteurs staat vermeld dat de gemeentelijke ambtenaren in dat kader ook bevoegd zijn om zich te laten vergezellen door derden. Dit is gebeurd: omdat de LID het toezicht uitoefent op onder andere bedrijfsmatige fok en verkoop van dieren, is de LID de aangewezen instantie om te kunnen beoordelen of hiervan daadwerkelijk sprake is. De LID is dus als derde op verzoek van de gemeentelijke inspecteurs binnen getreden. Om die reden is de binnentreding van de LID naar het oordeel van het College niet onrechtmatig.
4.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Was de uitoefening van spoedbestuursdwang noodzakelijk?
4.5
Appellante meent dat het meevoeren van de dieren niet nodig was. Volgens haar was sprake van een nieuwe overtreding. In dat verband wijst appellante op het herkeuringsrapport van de woning van 15 oktober 2021. Volgens appellante waren de dieren niet ziek: uit de stukken blijkt dat de bodyscores goed waren. Als de dieren al ziek waren, dan was dat het gevolg van de eerdere inbewaringneming. Appellante formuleert in dit verband ook een aantal bezwaren tegen de inbewaringneming van 25 september 2021, waaronder de ondeskundigheid van de betrokken dierenartsen, en de opvang die de in beslag genomen dieren niet goed verzorgde waardoor enkele dieren tijdens de opvang zijn overleden. Het College stelt vast dat die eerdere inbewaringneming niet meer ter discussie staat. Het College zal deze gronden daarom niet behandelen. Het College volgt appellante verder niet in de stelling dat de uitoefening van de spoedbestuursdwang op 21 december 2021 niet nodig was. Hieronder licht het College toe hoe het tot dit oordeel komt.
4.6
Aan de beslissing van 16 december 2021 tot inbewaringneming van de 75 katten en 2 honden van appellante in het kader van spoedbestuursdwang, lagen in de eerste plaats de bevindingen van de districtsinspecteurs op 16 december 2021 ten grondslag. Deze bevindingen zijn neergelegd in het rapport van bevindingen (rapport) van 21 december 2021. In de tweede plaats heeft de staatssecretaris de spoedbestuursdwang gebaseerd op de verklaring van de dierenarts van 16 december 2021. De dierenarts werd geraadpleegd door de districtsinspecteurs voorafgaand aan de inbewaringneming. Daartoe heeft de dierenarts drie van appellantes dieren onderzocht en ook een deskundigenoordeel gegeven over de dierenwelzijnssituatie in de woning op basis van foto’s van de aangetroffen situatie en de dieren. Op basis hiervan heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellante haar dieren de nodige (medische) zorg had onthouden en dat appellante niet had voorzien in een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden. Dit leverde een overtreding van artikel 2.2, achtste lid Wet dieren en artikel 1.7 sub c en sub d van het Bhd. Die overtreding rechtvaardigt in beginsel de uitoefening van bestuursdwang. Het College zal hierna toetsen of de staatssecretaris terecht heeft besloten dat de bij appellante aangetroffen situatie het uitoefenen van bestuursdwang zonder voorafgaande last nodig maakte.
4.7
Het College stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van het College van 12 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:685), een bestuursorgaan zoals de staatssecretaris, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uit mag gaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder, in dit geval een districtsinspecteur van de LID, kan daarom niet lichtvaardig worden voorbijgegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het toezichtrapport, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het toezichtrapport mag baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen. Het ligt op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen toch onjuist zijn.
4.8
Het rapport van de LID-districtsinspecteurs bevat concrete en gedetailleerde beschrijvingen van de feitelijk aangetroffen situatie in elke kamer van het huis van appellante. Per kamer zijn gedetailleerd de aangetroffen dieren beschreven, de staat van de betrokken ruimte en de geconstateerde overtredingen. De beschrijvingen uit het rapport worden ondersteund door fotomateriaal. Uit de foto’s komt een beeld naar voren dat overeenkomt met de beschreven waarnemingen. Appellante heeft deze bevindingen betwist en aangevoerd dat de bijgevoegde foto’s een onvolledig beeld laten zien. Appellante heeft met de enkele betwisting echter onvoldoende aangedragen waardoor het College twijfelt aan hetgeen de toezichthouders hebben beschreven. Naast de rapportage van de districtsrapporteurs van de LID, bevat het dossier namelijk ook het rapport van de gemeentelijke inspecteurs en de ammoniakrapportage van de door de gemeente ingeschakelde expert IntraAir. Anders dan appellante betoogt, komt ook uit deze rapportages het beeld naar voren van een woning die op 16 december 2021 onvoldoende hygiënisch was vanwege de in de woning aanwezige urine, uitwerpselen en ander vuil. Het College wijst in dit verband o.a. op het advies van de ingeschakelde expert dat luidt dat de woning volledig gestript dient te worden. Naar het oordeel van het College blijkt uit geheel van de beschrijvingen, verklaringen en de bijgevoegde foto’s dat de verzorging van de katten appellante, mede wegens haar persoonlijke situatie en de extra katten die zij tijdelijk huisvestte voor een ander, boven het hoofd is gegroeid. Hoewel de woning na de eerste inbeslagneming van haar dieren weer in orde was bevonden op 14 oktober 2021, was het aantal katten bij de inbeslagneming op 16 december 2021 toegenomen en was de woning sterk vervuild geraakt. Deze onhygiënische situatie was zodanig dat de burgemeester de woning van appellante voor zes maanden heeft gesloten. Ook blijkt uit het dossier dat de dieren vanwege de onhygiënische huisvesting gevaar liepen op besmetting met ziektes dan wel al ziek waren. De dierenarts die op de dag van inbeslagneming drie dieren heeft onderzocht, heeft geconstateerd dat deze dieren tekenen vertoonden van ontsteking van de voorste luchtwegen en/of ogen. Ook waren de katten bevuild met ontlasting wat volgens de dierenarts een teken van diarree was. De dierenarts heeft aan de hand van foto’s van de andere katten en de woning een oordeel gegeven over het algehele dierenwelzijn in de woning van appellante:
“De foto's die ik heb kunnen beoordelen van de omgeving waarin de katten zich bevinden, geven geen beeld van goede hygiëne. Niet alleen zaten de kattenbakken vol met te dunne ontlasting, deze ontlasting lag ook verspreid op verschillende plaatsen in huis.
Daarnaast hadden veel van de andere dieren op de foto's last van dezelfde klachten: voornamelijk ontsteking van de ogen en/of diarree. Het lijkt daarom niet te gaan om enkele individuele gevallen, maar eerder om een structureel probleem.
De situatie waarin de dieren zich verkeren en de klinische toestand van de dieren die ik gezien heb, is niet in orde. Het is wat mij betreft daarom ook niet wenselijk dat de dieren langer in deze situatie verblijven.
Wanneer er overal verspreid in huis sprake is van diarree en luchtwegklachten, vormt dit een gezondheidsrisico voor alle dieren die zich in deze ruimten bevinden. Niet alleen voor katten, maar ook voor honden (en andere (zoog)dieren). De pathogenen (voornamelijk bacteriën en/of parasieten) die uitgescheiden worden zouden ook ziekte kunnen veroorzaken bij andere diersoorten, in dit gevat de honden die ook aanwezig waren in het huls. Daarom is het ook noodzakelijk voor de gezondheid van de honden om deze uit deze omgeving te halen.
Alle 3 de katten die ik gezien heb waren in een slechte gezondheidstoestand. Daarnaast vertoonden de dieren op de foto's dezelfde soort gezondheidsklachten. De dieren zijn hiervoor niet bij ons onder behandeling en voor zover mij bekend ook niet bij een andere dierenarts,
Er is bij deze klachten van luchtweginfectie en diarree echter wel een duidelijke noodzaak voor een medische behandeling. (…)”
De dierenarts heeft op basis van zijn expertise geoordeeld dat het wenselijk was om de dieren niet langer in deze situatie te laten verblijven. Dit gold zowel voor de katten en de kittens als voor de honden. Dit oordeel van de dierenarts is na de inbewaringneming bevestigd door de dierenarts van de opvanglocatie die alle dieren afzonderlijk heeft onderzocht. Ook die stukken maken onderdeel uit van het dossier. Uit die stukken blijkt dat de meerderheid van de dieren (40) besmet was met een niesziekte. Ook is op basis van diverse monsters vastgesteld dat sprake was van een giardia-besmetting. Ook blijkt dat veel dieren neus- en ooguitvloeiing hadden, variërend van waterig tot slijmerig en pussig. Vanwege de neusuitvloeiing kon een aantal dieren slecht ademen. Uit de dierenartsverklaring volgt ook dat het te grote aantal dieren dicht bij elkaar één van de belangrijkste oorzaken was van het gebrek aan dierenwelzijn. Dat een aantal dieren, zoals appellante heeft aangevoerd, weinig tot geen klachten had en dat de bodyscores van een deel van de dieren goed waren, laat onverlet dat de meerderheid van de dieren ziek was en zorg nodig had. Het College wijst er in dit verband ook op dat een deel van de in oktober vrijgegeven dieren nog herstellende was van een niesziekte. In het behandelplan van de dierenarts staat onder andere te lezen dat de dieren in kleinere groepen gehuisvest moeten worden om herbesmetting te voorkomen en dat zieke dieren afgezonderd moeten worden. Ook heeft appellante zelf een verklaring van haar eigen dierenarts in geding gebracht waaruit blijkt dat vier kittens een giardia-besmetting hadden op 20 oktober 2021. Ook in dat geval levert het huisvesten van een grote hoeveelheid dieren op een beperkte oppervlakte, zo blijkt uit de verschillende verklaringen, naar het oordeel van het College gevaar voor (her)besmetting op. Tot slot is niet gebleken en ook niet aangevoerd door appellante dat de zieke dieren op het moment van inspectie onder behandeling stonden van een dierenarts. Alles overziend, heeft de staatssecretaris naar het oordeel van het College terecht kunnen concluderen dat de betreffende dieren vanwege het grote aantal niet de zorg hebben kunnen krijgen die zij op dat moment nodig hadden. Dit is een overtreding van de Wet dieren en het Bhd. Vanwege het besmettingsgevaar en de onhygiënische huisvesting was herstel op locatie niet mogelijk. Dit gold ten aanzien van alle aanwezige dieren. Het College is namelijk ook van oordeel dat het dossier een voldoende deskundige onderbouwing bevat over het besmettingsgevaar voor alle aanwezige dieren en de ernst van de geconstateerde aandoeningen. Daarom heeft de staatssecretaris terecht kunnen besluiten om alle dieren in beslag te nemen en niet een deel van de dieren bij appellante achter te laten. De sluiting van de woning van appellante door de gemeente vormde overigens een omstandigheid die op zichzelf al noodzaakte tot onmiddellijk ingrijpen naar het oordeel van het College. Uit het dossier blijkt ook dat appellante niet over een geschikt alternatief onderkomen voor de dieren beschikte. Appellante heeft, anders dan de stelling dat de inbewaringneming niet noodzakelijk was, geen stukken overgelegd zoals een eigen dierenartsverklaring waaruit blijkt dat haar dieren op het moment van inbewaringneming niet ziek waren of als zij wel ziek waren dat zij onder behandeling van een dierenarts stonden.
4.9
Appellante heeft ter onderbouwing van haar stelling dat spoedbestuursdwang niet noodzakelijk was ook gewezen op de uitspraak van het College van 2 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:73). Daarin heeft het College geoordeeld dat de uitgeoefende spoedbestuursdwang onrechtmatig was. Anders dan in het geval van appellante bevatte het onderliggende toezichtsrapport in die zaak onder andere een onvoldoende beschrijving van de overtredingen per (dier)soort en was er geen diergeneeskundige verklaring, terwijl de verklaring van de dierenarts bij de opvang was dat de conditie van de dieren ‘matig/goed’ was. In het beroep van appellante is de spoedbestuursdwang daarentegen gebaseerd op een uitgebreid toezichtsrapport met een beschrijving van de overtredingen en is de toestand van de dieren eerst door een dierenarts beoordeeld voordat de spoedbestuursdwang is toegepast (een selectie van representatieve gevallen is voorgelegd aan de dierenarts alsook de genomen foto’s van de overige dieren). Ook het beroep van appellante op de uitspraak van het College van 31 januari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:63) slaagt niet. Anders dan in het geval van appellante waren in die zaak niet alle dieren meegevoerd en bevatte het dossier ook geen diergeneeskundige verklaring. Beide omstandigheden spelen niet in het beroep van appellante. Anders dan appellante lijkt te stellen, is het niet nodig om per dier te beoordelen of de spoedbestuursdwang noodzakelijk is. Het College verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 18 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:498). Net als in die zaak bevat het rapport in het geval van appellante een gedetailleerde beschrijving van de aangetroffen situatie bij elke ruimte uit de woning en de daarbij geconstateerde overtredingen. Zoals het College hiervoor heeft overwogen blijkt uit die beschrijving, de toegevoegde foto’s en uit de duiding van de situatie op basis van de foto’s door de dierenarts naar het oordeel van het College genoegzaam dat de huisvestingsomstandigheden van de dieren slecht waren. Die omstandigheden in combinatie met het grote aantal aangetroffen dieren (75 katten en 2 honden), de beperkte oppervlakte van de woning van appellante waardoor in elke afzonderlijke ruimte te veel dieren aanwezig waren en de op handen zijnde woningsluiting door de gemeente, waren naar het oordeel van het College voldoende om tot spoedbestuursdwang zonder last te besluiten zonder ter plaatse elk dier aan een (medisch) onderzoek te onderwerpen.
Komt de uitoefening van de spoedbestuursdwang in strijd met het verbod van ne bis in idem?
4.1
Net als in zaak 22/1080 heeft appellante ook in dit beroep het standpunt ingenomen dat zij bij de controle in december ‘dubbel’ gestraft zou zijn: de jonge kittens zouden ziek zijn geworden door de opvang (na de eerdere inbewaringneming van september 2021). Het is het College niet geheel duidelijk geworden wat appellante precies met dit argument heeft bedoeld te willen aanvoeren. Voor zover appellante meent dat opnieuw bestuursdwang is toegepast terwijl dit ook al in september was gebeurd, verwijst het College naar hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen. Bestuursdwang is gericht op herstel en niet op straffen. Artikel 6 EVRM Pro en het verbod van ne bis in idem geldt niet bij deze zaken. Voor zover appellante meent dat zij is gestraft voor de ziekte die de kittens tijdens de inbewaringneming van september 2021 zouden hebben opgelopen, verwijst het College naar het hetgeen hiervoor onder 3.8 is overwogen. Ook voor zover appellante daarom meent geen overtreder te zijn, verwijst het College naar wat is overwogen onder 3.8. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de uitoefening van de spoedbestuursdwang onrechtmatig omdat er ook dieren zijn meegevoerd die niet van appellante waren?
4.11
Appellante heeft ook aangevoerd dat een deel van de aanwezige katten niet van haar was, maar slechts tijdelijk bij haar verbleef. Bovendien had zij een groot deel van haar oude katten al herplaatst. De overige kittens zouden met de kerst verhuizen naar hun nieuwe adressen. Niet in geschil is dat van de in bewaring genomen 75 katten, 20 katten aan iemand anders toebehoorden. De kosten die de inbewaringneming met zich meebracht, zijn voor deze dieren ook niet aan appellante in rekening gebracht. Voor zover appellante met dit standpunt beoogt te bereiken dat zij niet in overtreding was, verwijst het College naar wat hiervoor onder 4.8 is overwogen dat de inbewaringneming van alle dieren op 16 december 2021 terecht is geweest. De dieren zijn niet meegevoerd omdat ze van appellante waren of omdat het aantal dieren een bepaalde grens overschreed, maar de dieren zijn meegevoerd omdat de huisvesting onhygiënisch was, de dieren ter plaatse niet de (medische) zorg kregen en konden krijgen en omdat de woning van appellante gesloten zou worden. Voor zover appellante hiermee beoogt dat de staat van haar woning niet aan haar te verwijten was omdat het niet (allemaal) haar dieren waren, overweegt het College als volgt. Met het in huis nemen van de dieren, is appellante de houder van de dieren geworden en heeft zij de verantwoordelijkheid op zich genomen voor het welzijn van de betreffende dieren. De hulp die zij daarmee aan iemand anders heeft verstrekt, ontslaat haar niet van de verantwoordelijkheid voor zorg jegens de bij haar aanwezige dieren. De beroepsgrond slaagt niet.
Schade
4.12
Appellante heeft ook een verzoek tot schadevergoeding ingediend, ter hoogte van
€ 430.000,- vanwege de imagoschade die zij door de uitgeoefende bestuursdwang heeft geleden. Het College zal hierna (zie onder 7, Slotsom) een oordeel geven over dit verzoek.
Tussenconclusie zaak 22/521 – uitoefening spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last
4.13
De aangevoerde beroepsgronden van appellante onder 4.1 tot en met 4.11 slagen niet. Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat in het licht van de gehele situatie bij appellante op 16 december 2021 het uitoefenen van spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last waardoor alle bij appellante aanwezige dieren (75 katten en 2 honden) in bewaring zijn genomen, noodzakelijk was.
Zaak 22/521: bestreden besluit III
5 Vanwege de hiervoor besproken uitgeoefende spoedbestuursdwang heeft de staatssecretaris kosten gemaakt. Met het besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris een deel van die kosten, tot een bedrag van € 61.047,86 op appellante verhaald. Appellante heeft aangevoerd de kosten niet te kunnen betalen (draagkracht). Voor het overige heeft appellante geen gronden aangevoerd tegen dit besluit. Appellante heeft ook in het kader van zaak 22/1080 een beroep op draagkracht gedaan. Hierover geeft het College hierna in 6 een oordeel.
In beide zaken: draagkracht
6.1
Appellante heeft in zaak 22/1080 en in zaak 22/251, voor zover die ziet op het kostenverhaalsbesluit, een beroep gedaan op haar geringe draagkracht. Hierover overweegt het College als volgt.
6.2
Een bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. De overtreder dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1058)).
6.3
Het College stelt vast dat de staatssecretaris in het kader van het door appellante ingediende bezwaar, de draagkracht bij appellante heeft uitgevraagd. Appellante heeft daarop stukken ingediend, maar die waren onvoldoende om appellantes draagkracht vast te stellen. De staatssecretaris heeft nogmaals de draagkracht uitgevraagd, maar ook hierop is volgens de staatssecretaris onvoldoende informatie gekomen om de draagkracht vast te kunnen stellen. In het kader van het draagkrachtverweer heeft ook het College appellante opnieuw in de gelegenheid gesteld om nadere financiële gegevens over te leggen op basis waarvan appellantes draagkracht kan worden vastgesteld. Daartoe heeft het College het onderzoek na de zitting heropend. Appellante heeft opnieuw gegevens aangeleverd, maar ook ditmaal waren die onvoldoende om de draagkracht van appellante vast te stellen. Zo heeft appellante de vragen die op het draagkrachtformulier zijn gesteld niet beantwoord. Wel heeft zij nadere stukken overgelegd omtrent haar schulden en het mogelijk ontvangen van een WIA-uitkering, maar appellante heeft geen overzicht overgelegd van eventuele bezittingen in Nederland of het buitenland (zoals bank- en spaarsaldi) of eerdere uitkeringsspecificaties die nodig zijn om haar financiële situatie in kaart te brengen. Op basis hiervan heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij – ook in beroep – onvoldoende inzicht heeft gekregen in de financiële situatie van appellante om te concluderen dat appellante de in rekening gebrachte kosten niet kan betalen. Het College oordeelt dat de staatssecretaris daarom terecht in deze fase geen aanleiding heeft gezien om (deels) af te zien van het kostenverhaal.
6.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom en verzoeken tot schadevergoeding
7 De beroepsgronden die appellante in zaak 22/1080 en in zaak 22/251 heeft aangevoerd, slagen niet. Ook het beroep op de geringe draagkracht van appellante zal moeten worden afgewezen, omdat er onvoldoende informatie is aangeleverd om de draagkracht van appellante vast te stellen. De staatssecretaris hoeft daarom niet (deels) af te zien van kostenverhaal. Dit betekent dat de bestreden besluiten niet onrechtmatig zijn. Dit betekent dat het College de verzoeken van appellante om schadevergoeding – wat er ook zij van de hoogte van de gevorderde schade en de schade-oorzaak – zal afwijzen, omdat in het licht van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb geen sprake is van schade als gevolg van onrechtmatige besluiten. Het College zal het beroep van appellante in zaak 22/1080 en in zaak 22/251 ongegrond verklaren. De drie bestreden besluiten blijven in stand.
8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
w.g. C. de Kruif w.g. J.R. Willemstein

Bijlage

Wet Dieren
Artikel 2.2, achtste lid
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
Artikel 8.2
In aanvulling op artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de in de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14, eerste lid, bedoelde ambtenaren en personen bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 8.5
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:25, eerste, tweede en zesde lid
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.
[…]
6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast.
Artikel 5:31
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Algemene wet op het binnentreden
Artikel 8
1. Degene die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te treden, vergezellen.
2. Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.7, aanhef en onder c en d
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;