De maatschap exploiteert een veehouderij en beschikte in 2019 over een derogatievergunning met een verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen. Na een onderzoek van de NVWA bleek dat de maatschap de gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat had overschreden. De minister trok daarop de derogatievergunning in en legde een bestuurlijke boete op.
De maatschap voerde aan dat de overschrijding slechts op papier bestond vanwege afwijkende mestproductie van haar koeien en betwistte de berekeningsmethode van de minister. Het College oordeelde dat de maatschap onvoldoende betrouwbare en verifieerbare bedrijfsspecifieke gegevens had overgelegd om de overschrijding te weerleggen. Ook de grondmonsters en mestopslagcapaciteit boden geen overtuigend bewijs.
Het College stelde vast dat de minister de boete terecht baseerde op de reguliere gebruiksnorm, die geldt na intrekking van de derogatievergunning, en dat er geen strijd is met het legaliteitsbeginsel. De rechtbank had de boete gematigd wegens financiële draagkracht en overschrijding van de redelijke termijn, maar het College corrigeerde de matiging voor de termijnoverschrijding en stelde de boete vast op €55.000,-.
De intrekking van de derogatievergunning werd vernietigd vanwege het ontbreken van een belangenafweging, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het beroep van de minister tegen de matiging van de boete werd gegrond verklaard, het beroep van de maatschap tegen de boete werd afgewezen. Het College veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan de maatschap.