ECLI:NL:CBB:2025:627

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
25/747
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van eerdere uitspraak inzake plaatsing onder officieel toezicht en vernietiging van een kalf

Op 25 november 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan op het verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van 11 februari 2025. In die eerdere uitspraak werd het beroep van verzoeker tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ongegrond verklaard. Dit besluit betrof de plaatsing van het bedrijf van verzoeker onder officieel toezicht vanwege de aanwezigheid van een niet-toegestane stof, chlooramfenicol, in een urinemonster van een kalf. Verzoeker heeft het College verzocht om herziening, stellende dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die niet eerder bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het College heeft echter geoordeeld dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die grond zouden geven voor herziening. De argumenten van verzoeker werden grotendeels als herhalingen van eerdere stellingen beschouwd. Het College benadrukte dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak, maar enkel voor het herstellen van onjuist gebleken feiten. De uitspraak van 11 februari 2025 werd bevestigd, en het verzoek om herziening werd afgewezen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/747

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2025 op het verzoek van

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),
om herziening van de uitspraak van het College van 11 februari 2025 met zaaknummer 22/658.

Procesverloop

Met de uitspraak van 11 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:69) heeft het College (onder meer) het beroep van verzoeker tegen het besluit op bezwaar van 22 februari 2022 van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister) ongegrond verklaard. Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 27 mei 2014 van de staatssecretaris van Economische Zaken waarbij het bedrijf van verzoeker onder officieel toezicht is geplaatst en daaraan enkele maatregelen zijn verbonden, ongegrond verklaard.
Met de brief van 13 september 2025, aangevuld op 1 oktober 2025, heeft verzoeker het College verzocht de uitspraak van 11 februari 2025 te herzien.
Met de brief van 3 oktober 2025 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
De zitting was op 29 oktober 2025. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader
1. Op basis van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

De uitspraak van 11 februari 2025

2 Het College heeft in zijn uitspraak van 11 februari 2025 geoordeeld dat het bedrijf van verzoeker in 2014 onder officieel toezicht mocht worden geplaatst.
2.1
Daartoe is overwogen dat de minister, gelet op (de positieve uitslag die is opgenomen in) het analyserapport van het RIKILT van 23 mei 2014, heeft voldaan aan de op hem rustende initiële bewijsvoeringslast dat in april 2014 op het bedrijf van verzoeker (in een urinemonster van één kalf) sprake was van een niet-toegestane stof, chlooramfenicol en dat verzoeker er niet in is geslaagd dat bewijs te weerleggen. Verzoeker heeft de mogelijkheid van het laten uitvoeren van een contra-analyse en daarmee het bewandelen van de eerst aangewezen weg om de betrouwbaarheid van de in het analyserapport van 23 mei 2014 opgenomen positieve uitslag te laten onderzoeken zonder geldige reden onbenut gelaten. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat verzoeker niet heeft onderbouwd waarom de hem ter beschikking gestelde contramonsters van de monsternames van
17 april 2014, het analyserapport van 23 mei 2014 en de op 3 juli 2014 aan hem toegezonden rapporten in samenhang bezien niet voldoende waren voor het kunnen laten uitvoeren van een contra-analyse binnen een termijn van vijf maanden na het besluit tot plaatsing onder officieel toezicht. Verzoeker heeft evenmin onderbouwd waarom daarvoor ook inzicht in de laboratorium-journaals en de Standard Operating Procedure (SOP) nodig was. Niet valt in te zien waarom zonder die gegevens niet beslist kan worden tot het laten uitvoeren van een contra-expertise.
2.2
Verder heeft het College geoordeeld dat artikel 23, tweede lid, van Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan (Richtlijn 96/23/EG) de minister in een geval als hier aan de orde, waarbij sprake is van een positief bevonden dier, verplicht tot het doden en vernietigen van dat dier.
Verzoek
3.1
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat het College zijn beroepsgronden inzake het uitvoeren van een contra-analyse ten onrechte heeft verworpen en op die inzake het vernietigen van het kalf niet heeft beslist.
3.2
Volgens verzoeker heeft het College in de uitspraak van 11 februari 2025 ten onrechte geoordeeld dat hij eerst een contra-analyse had moeten laten uitvoeren.
Verzoeker mocht in 2014 uitgaan van de toen geldende rechtspraak van het College en heeft gelet daarop eerst om laboratoriumjournaals en de SOP gevraagd. Dat een contra-analyse de eerst aangewezen weg is om te bewandelen, is volgens verzoeker een nieuw inzicht van het College waarmee hij geen rekening kon en hoefde te houden in 2014. Verzoeker is in zijn verdedigingsbelangen geschaad doordat hij de laboratoriumjournaals en de SOP niet toegezonden heeft gekregen. Daarnaast heeft de minister een in dit kader van belang zijnde brief van 21 juli 2014 van de NVWA niet aan het College toegestuurd.
Verder heeft het College ten onrechte geoordeeld dat verzoeker uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om met behulp van hem ter beschikking gestelde contra monsters een contra-analyse uit te laten voeren. Uit bijlage 1 bij de brief van 18 juli 2024 van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland blijkt namelijk dat aan verzoeker niet alleen geen contramonsters ter beschikking zijn gesteld, maar ook dat het bemonsteringsrapport van de bemonstering op 17 april 2014 niet aan hem is verstrekt. Ook heeft verzoeker geen bericht gekregen over hoe de door hem gevraagde contra-analyse moest worden uitgevoerd. Verzoeker heeft – in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) – dan ook geen eerlijk proces gehad.
Het oordeel van het College dat inhoudt dat bij een positieve uitslag van een contra-analyse nog de mogelijkheid openstaat nader onderzoek te laten verrichten aan de hand van laboratoriumjournaals en de SOP is volgens verzoeker niet gebaseerd op artikel 15 van de Richtlijn 96/23/EG of enig ander artikel.
Op de zitting heeft hij verder gesteld dat het College in de uitspraak niet heeft onderkend dat hij om een contra-analyse heeft gevraagd.
3.3
Volgens verzoeker is de uitspraak van 11 februari 2025, voor zover deze betrekking heeft op de vraag of het kalf vernietigd mocht worden, daarnaast in strijd met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 oktober 1987 (ECLI:EU:C:1987:431) (Kolpinghuis, C-80/86). Richtlijn 96/23/EG en dan met name de artikelen 17, 18 en 23, derde lid, daarvan zijn volgens verzoeker niet dan wel niet volledig of niet juist geïmplementeerd, zodat er geen wettelijke grondslag is voor het uit de handel nemen en het vernietigen van het kalf. Verzoeker heeft dit al aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 11 februari 2025, maar het College heeft over deze beroepsgrond ten onrechte geen uitspraak gedaan. De verwijzing in de uitspraak van
11 februari 2025 naar de eerdere uitspraak van 19 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:4) kan hier volgens verzoeker niet toe dienen omdat in die procedure niet was betoogd dat de genoemde bepalingen uit Richtlijn 96/23/EG niet (juist) zijn geïmplementeerd. Die verwijzing door het College betreft dan ook een misslag.
Door een kalf te vernietigen zonder wettelijke grond is volgens verzoeker sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
3.4
Op de zitting heeft verzoeker ten slotte verduidelijkt dat het Zestiende Protocol bij het EVRM volgens hem aanknopingspunten biedt om de procedure te heropenen om tot heroverweging van de uitspraak over te gaan.
Beoordeling door het College
4 Het College overweegt dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening er in beginsel toe strekt een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
5.1
Het College is van oordeel dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt.
5.2
Wat verzoeker heeft aangevoerd over het laten uitvoeren van een contra-analyse vormt voor een deel een herhaling van wat hij al heeft aangevoerd in de procedure die tot de uitspraak van 11 februari 2025 heeft geleid. De brieven van 21 juli 2014 en 18 juli 2024 waarnaar verzoeker verwijst, maken al onderdeel uit van het dossier dat ten grondslag ligt aan die uitspraak. Het College heeft met de eerder aangevoerde beroepsgronden en genoemde brieven al rekening gehouden in die uitspraak en die beroepsgronden ook verworpen onder 5.
Voor zover verzoeker van mening is dat het oordeel van het College in de uitspraak van
11 februari 2025 over het laten uitvoeren van een contra-analyse is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting levert ook dat geen grond op voor herziening. Zoals het College in zijn uitspraak van onder meer 3 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:875) heeft overwogen kan een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet dienen als grond voor herziening.
Als, zoals verzoeker suggereert, met de uitspraak van 11 februari 2025 al sprake is van een verandering in de lijn van de rechtspraak van het College omtrent de vraag of en in welk stadium een contra-analyse moet worden uitgevoerd als op een bedrijf een verboden stof is aangetroffen, vormt dat om dezelfde reden geen grond voor herziening.
Verder is in de uitspraak bij de feiten onder 2.5 vermeld dat verzoeker in zijn bezwaarschrift van 6 juni 2014 heeft vermeld dat hij nog recht heeft op het laten uitvoeren van een contra-analyse en dat hij daar ook om vraagt, zij het onder de voorwaarde dat hij de beschikking krijgt over laboratoriumjournaals en de SOP. Onder 5.2.4 heeft het College vervolgens geoordeeld dat niet valt in te zien waarom zonder inzicht in die gegevens niet beslist kan worden tot het laten uitvoeren van een contra-analyse. Wat verzoeker hierover heeft aangevoerd is een heropening van een discussie die met de uitspraak van 11 februari 2025 is afgesloten en daarmee geen grond voor herziening. Voor de goede orde merkt het College hierbij op dat onder “contra-expertise” moet worden verstaan het laten testen van een tweede staal van hetzelfde monster waarvan de eerste expertise positief is uitgevallen. Door partijen is dit steeds als “contra-expertise” aangeduid, wat de in het spraakgebruik gebruikelijk benaming is. Dit blijkt ook uit de bespreking op de zitting van 12 december 2024.
5.3
Onder 6 van de uitspraak heeft het College verder het arrest Kolpinghuis en artikel 23, derde lid, van Richtlijn 96/23/EG genoemd en dus bij de beslissing betrokken. Ook dit levert geen grond op voor herziening.
5.4
Het voorgaande brengt mee dat het standpunt van verzoeker dat met de uitspraak van 11 februari 2025 het Eerste Protocol bij en artikel 6 van het EVRM zijn geschonden, niet juist is. Ook dit levert geen grond op voor herziening.
5.5
Ten slotte biedt het Zestiende Protocol bij het EVRM de mogelijkheid in een lopende procedure prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het biedt, anders dan verzoeker kennelijk veronderstelt, niet de mogelijkheid een reeds afgesloten procedure, zoals hier aan de orde, te heropenen en de uitspraak te heroverwegen.
Slotsom
6 Het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. R.W.L. Koopmans, en
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
w.g. J.L. Verbeek de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen