Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde wrakingsverzoeken ingediend op 21 en 31 maart 2025 door twee verzoekers die zich beroepen op vermeende vooringenomenheid van de raadsheren. De verzoeken hadden betrekking op meerdere bestuursrechtelijke zaken waarin eerder op 28 november 2024 en 23 januari 2025 zittingen plaatsvonden en einduitspraak werd gedaan in maart 2025.
De verzoekers stelden dat de rechters partijdig waren omdat zij hun verzoeken om uitstel van zittingen wegens ziekte niet hadden ingewilligd, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2022. Het College kwalificeerde de brief van 21 maart als een wrakingsverzoek en constateerde dat de wrakingsverzoeken betrekking hadden op specifieke raadsheren die bij de behandelingen betrokken waren.
De wrakingskamer oordeelde dat de wrakingsverzoeken niet in behandeling konden worden genomen omdat de einduitspraak in de hoofdzaak al openbaar was gemaakt voordat de verzoeken werden ingediend, conform artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022. De behandeling van het verzoek om heropening van het onderzoek kan wel door de betrokken rechters worden voortgezet.
De beslissing werd genomen door de wrakingskamer van het College op 10 april 2025 en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.