Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
(gemachtigde: drs. H.A.P. Schrijnemakers MBA)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer, actief in de horeca en daarnaast verhuurder van privévastgoed, stelde beroep in tegen het besluit van de minister om de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021 op nul vast te stellen en een eerder betaalde voorschot terug te vorderen.
De ondernemer betoogde dat de minister ten onrechte de huuropbrengsten bij de omzet had betrokken, terwijl de TVL volgens hem alleen op de horeca-activiteiten ziet. Hij verwees naar een eerdere subsidieberekening voor Q4 2020 waarbij de huuropbrengsten buiten beschouwing waren gelaten en stelde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd.
Het College stelde vast dat de minister terecht de omzet uit de aangifte omzetbelasting als uitgangspunt heeft genomen, omdat dit de bewuste keuze van de regelgever is om de regeling uitvoerbaar te houden en administratieve lasten te beperken. De omzet wordt niet per activiteit gesplitst, waardoor ook de huuropbrengsten meetellen.
Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalde omdat de minister geen concrete toezegging had gedaan en het niet in strijd is met rechtszekerheid om een eerdere fout niet te herhalen. Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees de subsidie toe op nul, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De subsidie TVL Q1 2021 is terecht vastgesteld op nul euro wegens onvoldoende omzetverlies.