ECLI:NL:CBB:2024:469
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling staatssteunplafond en groepsonderneming bij vaststelling TVL-subsidie Q2 2021
De zaak betreft de vaststelling van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het tweede kwartaal van 2021. De minister stelde de subsidie vast op € 0,- omdat de onderneming op het moment van vaststelling deel uitmaakte van een groepsonderneming die het staatssteunplafond voor die periode had bereikt. De onderneming betwistte dit en stelde dat het toetspunt het moment van de subsidieperiode zelf is, omdat zij pas na die periode onderdeel werd van de groep.
Het College stelt vast dat de beoordeling van het groepsverband en het staatssteunplafond moet plaatsvinden op het moment van subsidieverlening en het moment van subsidievaststelling. Dit volgt uit de TVL-regeling en eerdere jurisprudentie. Het feit dat de onderneming pas na de subsidieperiode onderdeel werd van de groep, maakt niet dat eerdere subsidies buiten beschouwing kunnen blijven. De eerder toegekende subsidies tellen mee bij de beoordeling van het staatssteunplafond van de groep.
De onderneming voerde ook aan dat het staatssteunplafond onjuist is vastgesteld en dat zij mocht vertrouwen op individuele beoordeling. Het College verwierp deze stellingen en bevestigde dat het staatssteunplafond van 1,8 miljoen euro voor Q2 2021 correct is en dat het vertrouwensbeginsel geen tegenwicht kan bieden tegen Europese staatssteunregels.
Het beroep van de onderneming is ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De subsidie TVL Q2 2021 is terecht vastgesteld op € 0,- omdat de onderneming op het moment van vaststelling onderdeel was van een groepsonderneming die het staatssteunplafond had bereikt.