ECLI:NL:CBB:2024:461
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt keuze referentieperiode Q1 2020 voor TVL-subsidie
De onderneming had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister om voor de berekening van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2022 de referentieperiode Q1 2020 te hanteren. De onderneming stelde dat deze periode niet representatief was vanwege een brand in Q1 2019 en gedeeltelijke sluiting in Q1 2020 door coronamaatregelen, en verzocht om een alternatieve referentieperiode.
De minister handhaafde het besluit, stellende dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van de wettelijke referentieperiodes en dat de omstandigheden van de onderneming niet zodanig uitzonderlijk waren. Het College volgde de minister en oordeelde dat Q1 2020 als referentieperiode passend en uitvoerbaar is, mede omdat de coronamaatregelen voor alle ondernemers golden en de onderneming in die periode omzet heeft gerealiseerd.
Het College wees het beroep af en oordeelde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en niet in strijd is met het motiveringsbeginsel. De nadelige gevolgen voor de onderneming zijn niet onevenredig in verhouding tot het doel van de regeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de minister mag Q1 2020 als referentieperiode en omzetbasis hanteren.