ECLI:NL:CBB:2023:659
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De onderneming exploiteert een restaurant dat in februari 2020 is geopend. Zij vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 20% omzetverlies ten opzichte van de gekozen referentieperiode, Q3 2020.
De onderneming betoogde dat de referentieperiode niet representatief was vanwege haar late start en de coronamaatregelen die het opbouwen van een klantenkring belemmerden. Zij stelde dat maatwerk had moeten worden toegepast, bijvoorbeeld door Q3 2021 als referentieperiode te hanteren, zoals in de NOW-regeling gebeurde voor bepaalde starters.
Het College oordeelde dat de TVL-regeling geen ruimte biedt voor afwijking van de voorgeschreven referentieperiodes en dat de regeling een generiek karakter heeft. Het evenredigheidsbeginsel wordt niet geschonden omdat de regeling rekening houdt met starters door alternatieve referentieperiodes te bieden. De minister heeft terecht geen uitzondering gemaakt en heeft voldoende gemotiveerd gereageerd op de bezwaren. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de TVL-subsidie is ongegrond verklaard en de aanvraag terecht afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies.