ECLI:NL:CBB:2022:313
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie TVL wegens ontbreken omzet in referentieperiode en vaste lasten
Appellante, een onderneming die haar restaurant op 1 juni 2020 opende, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020. Verweerder wees de aanvraag af omdat appellante in de referentieperiode (tweede en derde kwartaal 2019) geen omzet had en de vaste lasten niet voldeden aan de minimumeis van €4.000. Appellante voerde aan dat zij door de coronamaatregelen onevenredig werd getroffen en dat de omzet van een zustervennootschap als referentie kon dienen.
Het College oordeelde dat de TVL-regeling geen ruimte biedt om af te wijken van de referentieperiode en de forfaitaire berekening van vaste lasten. De uitzonderingen in de regeling zijn niet van toepassing omdat appellante pas in juni 2020 begon met haar activiteiten en vóór 15 maart 2020 geen omzet had. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en discriminatie op grond van het EVRM werd verworpen omdat de regeling generiek is en geen maatwerk toestaat.
Het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat appellante door de sluiting een buitensporige last zou zijn opgelegd, werd eveneens afgewezen omdat het hier gaat om de beoordeling van de subsidieaanvraag en niet om de rechtmatigheid van de coronamaatregelen zelf. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.