ECLI:NL:CBB:2022:6
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op TVL-subsidie wegens ontbreken omzetverlies vooraf sluiting horeca
Appellante, een horecabedrijf dat in augustus 2019 is ingeschreven en in september 2020 haar deuren opende, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020. De minister wees de aanvraag af omdat appellante in de referentieperiode (september tot en met december 2019) geen omzet had, waardoor niet voldaan werd aan de vereiste van minimaal 30% omzetverlies en het forfaitaire minimum van €4.000 aan vaste lasten.
Appellante voerde aan dat zij bewust later was geopend vanwege COVID-19 en dat zij wel omzet had behaald na opening, maar dit niet in aanmerking werd genomen. Ook stelde zij dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 Awb Pro vanwege bijzondere omstandigheden.
Het College stelde vast dat de TVL-regeling geen ruimte biedt om een andere referentieperiode te hanteren en dat omzetverlies vereist is om subsidie te kunnen ontvangen. Het ontbreken van omzet in de referentieperiode maakt dat appellante niet aan deze voorwaarde voldoet. Het College verwierp het beroep en oordeelde dat het besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 4:84 Awb Pro niet van toepassing is omdat het hier een ministeriële regeling betreft.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van omzetverlies in de referentieperiode.