Uitspraak
(gemachtigde: mr. J.L. Vissers),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een onderneming actief in de veredeling van pluischrysanten, ontving voor de jaren 2015, 2016 en 2017 S&O-verklaringen op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva). Na een controle in 2018 stelde verweerder vast dat de administratie niet voldeed aan de wettelijke eisen, met name omdat de aard, inhoud, omvang en voortgang van de S&O-werkzaamheden niet op eenvoudige en duidelijke wijze uit de administratie konden worden afgeleid.
Verweerder corrigeerde de S&O-verklaringen voor 2015 en 2017 volledig naar nul uren en stelde de verklaring voor 2016 bij naar 3.660 uren. Appellante voerde bezwaar aan, onder meer met het argument dat zij haar administratie niet volledig had kunnen overleggen tijdens de controle en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat de administratie niet voldeed aan de eisen en dat de correcties gerechtvaardigd waren.
In hoger beroep bevestigde het College van Beroep deze uitspraak. Het College oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar administratie aan te leveren, dat de beoordeling door meerdere ambtenaren was verricht zonder vooringenomenheid, en dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte had gehandeld. Het College wees ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel af en concludeerde dat de correcties en opgelegde boetes rechtmatig waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de correcties op de S&O-verklaringen en boetes worden bevestigd.