ECLI:NL:CBB:2021:734
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen fosfaatrechtenstelsel en individuele last op melkveehouderij
Appellante exploiteert een melkveehouderij en betwist het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat sprake is van een individuele en buitensporige last, mede vanwege investeringen voorafgaand aan de peildatum 2 juli 2015.
Het College overweegt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het stelsel geen ruimte biedt voor belangenafweging indien niet aan materiële voorwaarden, zoals instemming van de inschaarder, is voldaan. De discussie over 35 pinken die tijdelijk waren uitgeschaard, betreft een geschil tussen appellante en de inschaarder.
Verder oordeelt het College dat de investeringsbeslissingen van appellante ondernemersrisico's zijn die zij zelf draagt. Het ontbreken van een Nbw-vergunning op de peildatum en het tijdstip van de investeringen maken de last niet navolgbaar. De bescherming van milieu en volksgezondheid weegt zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.