ECLI:NL:CBB:2021:636
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling koppeling varkens- en rundveehouderij bij uitbetaling GLB-betalingen en vergroeningseisen
Het geschil betreft de vraag of de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit terecht de basis- en vergroeningsbetalingen voor de jaren 2016 en 2018 heeft herberekend door de aanvragen van de varkenshouderij en rundveehouderij van appellant samen te voegen als één aanvraag van één landbouwer.
Verweerder heeft de relatienummers waaronder de gecombineerde opgaven zijn gedaan gekoppeld en als één aanvraag aangemerkt, waardoor appellant niet meer voldeed aan de vergroeningseisen en een korting op de uitbetaling werd toegepast. Appellant betoogde dat de bedrijven afzonderlijk beoordeeld moesten worden, omdat het rundveebedrijf vrijgesteld is van vergroeningseisen en het varkensbedrijf voldoet aan gewasdiversificatie.
Het College verwijst naar de Europese Verordening 1307/2013 en eerdere jurisprudentie dat inkomenssteun wordt toegekend aan de landbouwer voor al zijn landbouwactiviteiten en dat de rundveehouderij en varkenshouderij samen één landbouwbedrijf vormen. Het samenvoegen van de aanvragen was daarom terecht en het feit dat appellant daardoor niet aan de vergroeningseisen voldoet, leidt niet tot een ander oordeel.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarnaast stelt het College ambtshalve vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep met ruim vijf weken is overschreden, waardoor appellant recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. De Staat wordt veroordeeld tot betaling hiervan.
Uitkomst: Het beroep tegen de koppeling van de varkens- en rundveehouderij tot één landbouwbedrijf en de daarop gebaseerde korting wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.