ECLI:NL:CBB:2021:252

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
8 maart 2021
Zaaknummer
19/1216
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EPArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen individuele buitensporige last bij toepassing Regeling fosfaatreductieplan 2017

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legde aan appellant meerdere geldsommen op op basis van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 wegens het houden van meer vrouwelijke runderen dan het referentieaantal van 2 juli 2015. Appellant stelde dat deze heffingen een individuele en buitensporige last vormden, omdat hij zijn bedrijf met toestemming van overheden en banken had uitgebreid en de continuïteit van zijn bedrijf hierdoor in gevaar kwam.

Het College overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een individuele en buitensporige last. Hoewel de geldsommen fors waren, was het voor risico van appellant dat hij vooruitliep op zijn vergunning en had hij zich moeten herbezinnen op zijn positie. Verweerder had in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de continuïteit van het bedrijf niet in gevaar was.

Ook het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen. Het College achtte niet aannemelijk dat de bedrijfsvoering van appellant zodanig afweek van andere veehouders dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de opgelegde geldsommen wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een individuele en buitensporige last.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2021 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna samen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant geldsommen opgelegd.
Bij besluiten van 23 mei 2018 heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder de opgelegde geldsommen als volgt aangepast en vastgesteld: € 12.848,00 (periode 1), € 54.658,00 (periode 2),
€ 55.238,00 (periode 3), € 50.630,00 (periode 4) en € 10.007,00 (periode 5).
Bij uitspraak van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:414) heeft het College het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 29 april 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit en het besluit van 16 juni 2018 (opnieuw) ongegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
Verweerder heeft appellant over de periodes 1 en 5 solidariteitsgeldsommen opgelegd en voor de overige periodes hoge geldsommen. Appellant is het daar niet mee eens en is daarom in beroep gekomen.
Beroepsgronden
Appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van Pro het EP, omdat toepassing van de Regeling in zijn geval tot een individuele en buitensporige last leidt. Voor zijn grondgebonden bedrijf was niet voorzienbaar dat een beperking zou plaatsvinden. Hij heeft zijn bedrijf met toestemming van overheden en banken uitgebreid. Volgens appellant is de continuïteit van zijn bedrijf door de Regeling in gevaar. Hij wijst in dit verband onder meer op een rapport van Flynth adviseurs en accountants van december 2018 over de gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel voor zijn bedrijf, de nadere toelichting hierop bij brief van 9 januari 2019, alsmede op een begeleidende brief van de Rabobank. Ook wijst appellant op de resultatenrekening over de jaren 2013 tot en met 2018. Anders dan verweerder aanneemt, was het bedrijf voor de uitbreiding wel degelijk stabiel en beschikte hij ook tijdig over de benodigde vergunningen.
De geldsommen zijn verder zeer hoog en onevenredig. Vooral voor de periodes waarin de Regeling aanvankelijk buiten werking is gesteld, zijn de geldsommen zeer hoog uitgevallen, aldus appellant. Daarbij komt dat hij uiteindelijk aan zijn reductieopgave heeft voldaan.
Individuele en buitensporige last
Het College heeft bij de beoordeling van het beroep over de fosfaatrechten geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last (uitspraak van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:414). Het College heeft aan deze uitspraak – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat het voor risico van appellant komt als hij is vooruitgelopen op de op 23 februari 2016 verleende vergunning. Verder had hij zich in het licht van de toen bekende gegevens moeten herbezinnen op zijn positie, is een noodzaak om uit te breiden gesteld noch gebleken en heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bedrijfscontinuering niet realistisch is, aldus het College in die uitspraak.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het voor appellant ten tijde van de uitbreidingsinvesteringen voorzienbaar was dat productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen. Appellant heeft zijn beroep op een individuele en buitensporige last grotendeels onderbouwd met een verwijzing naar dezelfde stukken en omstandigheden als hij in de procedure over de fosfaatrechten heeft gedaan. Belangrijkste aanvulling is zijn betoog over de (financiële gevolgen) van de geldsommen. Hoewel in het geval van appellant inderdaad sprake is van forse geldsommen en het College wil aannemen dat hij hierdoor stevig wordt geraakt, geven deze op zichzelf noch in samenhang met de overige naar voren gebrachte omstandigheden grond om voor de fosfaatreductie tot een ander oordeel over de individuele en buitensporige last te komen. Weliswaar heeft het College in de uitspraak van 21 augustus 2018 over een eerder besluit van verweerder geoordeeld dat hij ten onrechte niet is ingegaan op de mate waarin het bedrijf van appellant financieel wordt getroffen en welke gevolgen dit bijvoorbeeld heeft voor de continuïteit van de bedrijfsvoering, maar in het bestreden besluit heeft verweerder alsnog voldoende gemotiveerd waarom uit de door appellant overgelegde stukken niet blijkt dat de continuïteit van zijn bedrijf als gevolg van de Regeling in gevaar komt.
Het betoog slaagt niet.
Hardheidsclausule
Zoals het College eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraken van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:453 en van 21 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:470), bestaat voor de toepassing van de hardheidsclausule aanleiding, indien het strikt volgen van de Regeling in het desbetreffende geval onevenredige gevolgen met zich brengt.
Zoals het College eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 7 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:435) komt het wachten met reduceren van het aantal runderen voor rekening van appellant, nu verweerder appellant direct te kennen heeft gegeven dat hij de heffingen alsnog zou opleggen indien de uitkomst van het door hem tegen de vonnissen van 4 mei 2017 ingestelde spoedappèl daarvoor ruimte zou bieden.
Ook overigens slaagt het beroep van appellant op de hardheidsclausule niet. Het College acht niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van appellant zodanig afwijkt van andere veehouders dat verweerder daarin, ondanks de groei van het bedrijf en zijn keuze om niet gelijk te starten met reduceren, aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Dit betoog slaagt evenmin.
Slotsom
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 maart 2021
.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.