Appellante, exploitant van een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw over het vastgestelde fosfaatrecht. Zij voerde aan dat vanwege ziekte van een vennoot op een alternatieve peildatum een lager fosfaatrecht zou moeten gelden volgens de knelgevallenregeling. Tevens stelde zij dat haar bedrijf als grondgebonden moest worden aangemerkt vanwege het gebruik van meer landbouwgrond dan door verweerder werd aangenomen.
Het College oordeelde dat appellante niet had bewezen dat de ziekte van de vennoot vóór de door verweerder gehanteerde peildatum van 16 juni 2015 een causaal verband had met het aantal dieren op 1 maart 2015. De medische verklaringen toonden aan dat de klachten pas op 17 juni 2015 medisch waren vastgesteld. Hierdoor werd de knelgevallenregeling terecht niet toegepast.
Daarnaast werd geoordeeld dat de verhuurde landbouwgrond niet tot het bedrijf behoorde omdat appellante niet de feitelijke beschikkingsmacht had om teelt- en bemestingsplannen af te stemmen. De grond werd daarom buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van het fosfaatrecht. Het beroep op het Eerste Protocol faalde wegens gebrek aan nadere toelichting over de gevolgen van het besluit.
Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door mr. W.C.E. Winfield op 17 november 2020.