ECLI:NL:CBB:2020:791
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op startersregeling fosfaatrechten bij voortzetting melkveehouderij op nieuwe locatie
Appellant voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld en bezwaar ongegrond werd verklaard. Appellant stelde dat hij een nieuw bedrijf was gestart op een nieuwe locatie na verkoop van zijn oude bedrijf vanwege het rijksproject “Ruimte voor de Rivier”. Hij vorderde toepassing van de startersregeling en een verhoging van zijn fosfaatrechten.
Het College oordeelde dat appellant geen nieuw bedrijf was gestart, maar zijn onderneming had voortgezet door aankoop van een bestaand melkveehouderijbedrijf met bestaande milieuvergunningen. De wijziging van tenaamstelling van vergunningen maakte dit niet anders. De startersregeling is strikt bedoeld voor nieuw gestarte bedrijven en niet voor doorstart of voortzetting.
Daarnaast stelde appellant dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor hem vormde en dat zijn eigendomsrecht werd aangetast. Het College vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een individuele en buitensporige last. De forse uitbreiding van zijn bedrijf was een bewuste ondernemerskeuze met aanvaardbare risico’s, mede gezien de afschaffing van het melkquotum en de te verwachten maatregelen.
Het College concludeerde dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellant en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek in het besluit.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de startersregeling wordt niet toegepast.