Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
Het diermanagement is in de periode 2009-2016 flink tekort geschoten. De kengetallen (tussenkalftijd, sterfte, afkalfleeftijd vaarzen) wijken in negatieve zin erg af van de sectorgemiddelden en laten zien dat dit bedrijf en deze ondernemer niet in “normale doen” moeten zijn geweest” . De gevolgen van de risico’s die kleven aan de investeringsbeslissingen die appellant na de peildatum (in 2017) heeft gedaan, moeten voor zijn rekening blijven. Deze zijn wellicht bedrijfsmatig begrijpelijk, maar niet navolgbaar in het licht van de toen kenbare introductie van het fosfaatrechtenstelsel (zie de uitspraak van 23 juni 2019 onder 6.7.5.5). Dit kan, naar het oordeel van het College, zonder gevolg blijven voor de beoordeling van de buitensporigheid van de last. Appellant heeft de investeringen uit eigen middelen gefinancierd. Dat appellant hiermee zijn financiële armslag op de langere termijn heeft beperkt, onderkent het College, maar verweerder heeft de stelling van appellant dat op dat moment in de tijd moest worden geïnvesteerd in een melksysteem vanwege de afgenomen betrouwbaarheid van de aanwezige systeem niet overtuigend weerlegd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden;