Uitspraak
1.[naam 1] B.V.(voorheen [naam 2] B.V.),
2.[naam 5] B.V.,
3.[naam 10] B.V., te [plaats 3] ,
4.de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
5.[naam 13] B.V.,
en
ACM.
2 december 2015 ECLI:NL:CBB:2015:388).
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben meerdere partijen hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een punitieve sanctie opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM). ACM verzocht om vertrouwelijke behandeling van enquêtegegevens die in 2009 en 2010 waren verzameld bij ongeveer 350 zorginstellingen.
Het College heeft overwogen dat het belang van de verdediging bij kennisneming van relevante informatie zwaar weegt, mede gelet op artikel 6 EVRM Pro. ACM kon niet op voorhand anonimiteit garanderen en de ouderdom van de gegevens (minstens negen jaar) maakt dat deze gegevens in beginsel niet langer bedrijfsvertrouwelijk zijn. ACM heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens nog een wezenlijk onderdeel van de commerciële positie vormen.
Wel acht het College de beperking van kennisneming gerechtvaardigd voor persoonsgegevens van niet-betrokken personen, vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. ACM moet binnen een week een nieuwe versie van de stukken zonder persoonsgegevens aanleveren aan het College en de andere partijen.
De beslissing bevestigt dat het belang van transparantie en een eerlijk proces prevaleert boven de door ACM aangevoerde belangen bij geheimhouding, behalve waar het gaat om privacygevoelige persoonsgegevens.
Uitkomst: Het College wijst het verzoek om vertrouwelijke behandeling van enquêtegegevens af, behalve voor persoonsgegevens.