Appellante, een landbouwer die betalingsrechten en vergroeningsbetalingen had aangevraagd, kreeg deze geweigerd omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van 2013. Verweerder stelde dat appellante geen recht had op directe betalingen in 2013, onvoldoende landbouwactiviteiten had verricht, en in het verleden toeslagrechten had gehad, waardoor zij niet in aanmerking kwam voor toewijzing van betalingsrechten.
Appellante voerde aan dat zij wel degelijk landbouwactiviteiten verrichtte, dat een vennoot in Duitsland rechtstreekse betalingen ontving, en dat zij door verweerder werd gediscrimineerd. Het College oordeelde dat het GLB alleen inkomenssteun aan landbouwers toekent en niet aan bedrijven, en dat appellante en haar vennoot niet als dezelfde landbouwer konden worden aangemerkt. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder werd vastgesteld dat appellante niet tijdig een aanvraag had gedaan en niet voldeed aan de oppervlakte-eisen voor bepaalde gewassen. Het College concludeerde dat verweerder terecht geen betalingsrechten had toegekend. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep met ongeveer drie maanden was overschreden, waarvoor appellante een schadevergoeding van € 500,- werd toegekend. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.