ECLI:NL:CBB:2017:173
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- R.R. Winter
- H.L. van der Beek
- H.B. van Gijn
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bestuurlijke boete wegens onjuist gebruik bosperceel als landbouwgrond onder Meststoffenwet
Appellant, een melkveehouder, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het onjuist opgeven van een bosperceel als landbouwgrond in het kader van de Meststoffenwet (Msw) 2009. De staatssecretaris concludeerde dat het perceel niet feitelijk in gebruik was bij het bedrijf en dat appellant daardoor niet onder de gebruiksnormen was gebleven.
De rechtbank verwierp het verweer van appellant dat het bosperceel wel degelijk onderdeel was van zijn bedrijfsvoering en matigde de boete slechts met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat hij wel feitelijke beschikkingsmacht had en dat de boete verder gematigd moest worden.
Het College oordeelde dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over het bosperceel, omdat hij geen invloed had op de teelt en bemesting en het onderhoud was uitbesteed. Het bosperceel kon daardoor niet als landbouwgrond binnen de normale bedrijfsvoering worden aangemerkt. De boete was terecht opgelegd, maar het College matigde deze verder vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de boete werd vastgesteld op €8.886,83.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit van de staatssecretaris aangepast.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €8.886,83 met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.