ECLI:NL:RVS:2026:3481
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag en tijdelijk verblijfsrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellant om Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat appellant tussen 1981 en 1992 in hoge functies bij de Afghaanse veiligheidsdienst KhAD/WAD werkte, wat ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde oplevert. Daarnaast heeft appellant een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden', wat volgens de minister een tijdelijk karakter heeft en daarom bezwaar geeft tegen een verblijf voor onbepaalde tijd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van appellant op het actualiteitsvereiste uit het arrest S, E en C van het Hof van Justitie niet slaagt, omdat de naturalisatie niet onder Unierecht valt maar onder nationaal recht. Ook stelde de rechtbank dat de vraag of artikel 1F terecht is toegepast niet ter toetsing ligt in deze naturalisatieprocedure. Appellant voerde aan dat het verblijfsrecht inmiddels een niet-tijdelijk karakter heeft gekregen door langdurig verblijf, maar de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierpen dit op grond van het beleidskader en eerdere jurisprudentie.
De Afdeling bevestigde dat de weigering van het Nederlanderschap geen punitief karakter heeft en dat de onschuldpresumptie en strafrechtelijke waarborgen niet van toepassing zijn. De Afdeling concludeerde dat naturalisatie een nationale aangelegenheid is en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd.