Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2525

Raad van State

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
202501967/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 91 Vw 2000Artikel 13 Besluit nr. 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunningen en weigering beroep op driejarenbeleid en gezinsherenigingsrichtlijn

Appellanten kregen hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 november 2019. De rechtbank had het intrekkingsbesluit vernietigd, maar de Raad van State bevestigt dat de minister de vergunningen terecht mocht intrekken omdat appellanten niet onder het driejarenbeleid of de gezinsherenigingsrichtlijn vielen.

De minister had appellanten gehoord in de bezwaarfase en hoefde dit niet te herhalen bij het latere besluit. De belangenafweging van de minister, waarbij het economisch belang en het gebruik van het door de overheid bekostigde onderwijs werden meegewogen, wordt door de Raad van State als juist beoordeeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim 28 maanden is overschreden, waardoor de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van € 2.500,00 aan appellanten moet betalen. Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 27 maart 2025 worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit worden ongegrond verklaard, maar appellanten krijgen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202501967/1/V2.
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2025 in zaak nr. NL24.276 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken en hen opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 26 november 2019 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij de rechtbank beroepsgronden aangevoerd en de rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep tegen de uitspraak van 6 maart 2025
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de minister de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht mocht intrekken tot 1 november 2019. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellanten geen beroep kunnen doen op het zogenoemde driejarenbeleid, omdat artikel 13 van Pro het Besluit nr. 1/80 niet op hen van toepassing is. Appellanten zijn namelijk geen Turkse werknemer in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit nr. 1/80 of gezinsleden van een Turkse werknemer als bedoeld in artikel 7 van Pro het Besluit nr. 1/80. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de kinderen geen geslaagd beroep kunnen doen op artikel 3.51 van het Vb 2000, wat een implementatie is van artikel 15, derde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat zij niet aan de voorwaarden van dat artikel voldoen.
1.1.    Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellanten in algemene zin opgeworpen vragen over de uitleg van Besluit nr. 1/80 en de Gezinsherenigingsrichtlijn niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroep
2.       Het hoger beroep is ongegrond.
Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 27 maart 2025
3.       De Afdeling beoordeelt het beroep van appellanten tegen het besluit van 27 maart 2025, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van Pro de Awb).
4.       Appellanten klagen over de standpunten van de minister dat hij de verblijfsvergunningen van appellanten heeft mogen intrekken per 1 november 2019, appellanten geen geslaagd beroep kunnen doen op artikelen 6, 7 en 13 van het Besluit nr. 1/80, en geen geslaagd beroep kunnen doen op het driejarenbeleid. Met die standpunten heeft de minister de door hem in het besluit van 6 december 2023 ingenomen standpunten gehandhaafd. Over die standpunten heeft de rechtbank in haar uitspraak van 6 maart 2025 een oordeel gegeven. De daartegen door appellanten gerichte grieven, zoals besproken onder 1 van deze uitspraak, slagen niet. Omdat appellanten ter toelichting op deze beroepsgronden hebben verwezen naar de motivering van hun grieven gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2025, kunnen deze gronden ook niet slagen.
4.1.    De beroepsgronden slagen niet.
5.       Appellanten betogen daarnaast dat de minister zijn hoorplicht in de bezwaarfase heeft geschonden doordat hij heeft nagelaten om hen te horen voorafgaand aan het nemen van het besluit van 27 maart 2025.
5.1.    Dit betoog slaagt niet. De minister heeft appellanten in voorbereiding op het besluit van 6 december 2023 gehoord. De minister heeft zijn hoorplicht niet geschonden door appellanten niet opnieuw te horen ter voorbereiding van het besluit van 27 maart 2025. Er waren namelijk geen nieuwe feiten of omstandigheden die de minister nog nader in kaart had moeten brengen door middel van een gehoor. Zodoende heeft de minister aan zijn hoorplicht voldaan. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, en 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2557, onder 4.2.
5.2.    De beroepsgrond slaagt niet.
6.       Appellanten betogen verder dat de belangenafweging van de minister niet deugt. Volgens hen heeft de minister het economisch belang ten onrechte in hun nadeel gewogen, omdat zij hun inkomen hebben verworven in een periode dat appellant 1 niet als zelfstandige, en appellant 2 niet als werknemer mocht werken. Ook heeft de minister ten onrechte in hun nadeel meegewogen dat appellant 1 heeft gezorgd voor oneerlijke concurrentie doordat hij zijn onderneming zonder vergunning heeft geëxploiteerd, aldus appellanten. Volgens appellanten hebben zij hun inkomsten namelijk verworven tijdens rechtmatig verblijf in afwachting van de uitkomst van deze procedure. Tot slot heeft de minister ten onrechte in hun nadeel meegewogen dat zij een beroep doen op door de overheid betaald onderwijs. Zij zijn namelijk bereid en in staat om de onderwijskosten van hun kinderen zelf te dragen, maar de inrichting van het Nederlandse schoolsysteem laat dat niet toe. Daarbij verwijzen appellanten naar de rechtbankuitspraak van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:RBDHA:2024:9656.
6.1.    De minister heeft het economisch belang naar het oordeel van de Afdeling niet ten onrechte in het nadeel van appellanten gewogen. Vooropgesteld heeft de minister daarbij mogen betrekken dat zij hun inkomen hebben verworven in een periode waarin appellant 1 niet als zelfstandige, en appellant 2 niet als zijn werknemer mocht werken. De minister mocht dan ook in hun nadeel meewegen dat appellant 1 voor oneerlijke concurrentie op de Nederlandse arbeidsmarkt heeft gezorgd door zijn onderneming zonder daarvoor geldige vergunning te exploiteren. Appellant 1 voldeed namelijk vanaf 1 november 2019 niet meer aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning, omdat hij per 1 augustus 2019 en na de zoekperiode van drie maanden, niet werkte als kennismigrant voor een erkend referent. Anders dan appellanten stellen, betekent het feit dat zij tijdens de procedure tegen het intrekkingsbesluit procedureel rechtmatig verblijf genoten niet dat appellant 1 alsnog als zelfstandige mocht werken en hij aan appellant 2 een arbeidscontract had mogen verlenen. Daarbij heeft de minister in het nadeel van appellanten mogen betrekken dat zij hun onderneming hebben voortgezet, nadat de aanvraag van appellant 1 voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige is afgewezen. Verder heeft de minister in het nadeel van appellanten mogen wegen dat hun kinderen gebruikmaken van het door de overheid bekostigde schoolsysteem. Dat er een leerplicht bestaat voor minderjarigen maakt dat niet anders. In de rechtbankuitspraak van 19 juni 2024 waarop appellanten wijzen staat dat de minister niet al te zwaar gewicht mag toekennen aan, kort gezegd, een omstandigheid waar betrokkenen niets aan kunnen doen. Ook als de Afdeling dat zou toepassen in deze zaak, blijven er genoeg andere redenen over die de minister in het nadeel van appellanten mocht laten uitvallen.
6.2.    De beroepsgrond slaagt niet.
7.       De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Overschrijding van de redelijke termijn
8.       Appellanten hebben in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668, onder 3.1, geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.
8.1.    De minister heeft het bezwaarschrift van appellanten ontvangen op 23 december 2019. Vier jaar daarna, op 23 december 2023, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn met ruim 28 maanden overschreden. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2791, onder 5.1. Omdat in dit geval die redelijke behandelingsduur is overschreden, is de overschrijding aan zowel de minister als de rechtbank toe te rekenen. De twee procedures bij de rechtbank hebben negentien maanden en dertien maanden geduurd. De rechtbank heeft daarmee de termijn van achttien maanden voor de beroepsfase overschreden. De procedure bij de Afdeling heeft ruim twaalf maanden geduurd. De Afdeling heeft daarmee de termijn van 24 maanden niet overschreden.
8.2.    Uitgaande van een schadebedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de Afdeling de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 2.500,00 aan appellanten, € 2.410,71 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 89,29 door de minister van Justitie en Veiligheid. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de minister, als aan de rechtbank is toe te rekenen, moeten de minister en de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten heeft de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) toegepast.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep ongegrond;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2025, V[…], V-[…], V-[…], V-[…], ongegrond;
III.      wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
IV.     veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan appellanten een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen (€ 2.410,71 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 89,29 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid);
V.      veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50 (€ 226,75 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en €226,75 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
936-1113