ECLI:NL:RVS:2024:2791
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 juni 2017 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar gegrond verklaarde, stelde de minister hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van gezinsleven tussen de vreemdelingen en hun zoon, de referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister stelde dat de referent niet onder het jongvolwassenenbeleid viel en dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren die gezinsleven aannemelijk maakten. De rechtbank had dit anders beoordeeld.
De Afdeling oordeelde dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd en dat de rechtbank dit niet had onderkend. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van de zaak met ruim 35 maanden was overschreden, waarvoor de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van €3.000,- aan de vreemdelingen moet betalen. Ook werden proceskosten toegekend voor het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.