ECLI:NL:RVS:2022:2668
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beslissing over hoger beroep tegen afwijzing mvv-aanvragen en schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Bij besluiten van 9 maart 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af voor vijf vreemdelingen. De vreemdelingen en een referent maakten bezwaar, dat op 22 april 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor twee vreemdelingen en vernietigde het besluit voor zover het hen betrof, maar handhaafde het voor de overige.
Tegen deze uitspraak stelden de vreemdelingen en referent hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure verleende de staatssecretaris op 20 juni 2022 alsnog de mvv aan de twee vreemdelingen voor wie het beroep gegrond was verklaard, waarna hun hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor de andere twee vreemdelingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast verzochten de vreemdelingen en referent om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling oordeelde dat de totale procedure meer dan vier jaar duurde, waarbij de overschrijding volledig aan de staatssecretaris kon worden toegerekend. Daarom werd een vergoeding van €500 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werden proceskosten van €759 toegewezen aan de vreemdelingen en referent.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de eerste twee vreemdelingen, bevestigde de uitspraak voor de andere twee en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor twee vreemdelingen, ongegrond voor twee anderen, met toekenning van schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.