ECLI:NL:RVS:2023:2557
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat hoorplicht niet is geschonden bij afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige Turkse vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van een Turkse vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met beperking 'arbeid als zelfstandige' af en vaardigde een inreisverbod uit. De vreemdeling stelde beroep in tegen het besluit, waarbij de rechtbank het beroep gegrond verklaarde vanwege een vermeende schending van de hoorplicht in de bezwaarfase.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het ondernemingsplan van de vreemdeling onvoldoende was onderbouwd en dat het ontbreken van essentiële stukken een hoorzitting niet noodzakelijk maakte. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht van het horen heeft afgezien omdat de vreemdeling geen nieuwe stukken of verklaringen overlegde en dat het standpunt over de standstill-bepaling en het gelijkheidsbeginsel onvoldoende was onderbouwd.
De Afdeling concludeerde dat de aanvraag terecht niet voor advies aan de minister werd voorgelegd vanwege het ontbreken van essentiële informatie, zoals een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de eigen dienst, omzetprognoses en intentieverklaringen van opdrachtgevers. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het bezwaar tegen het inreisverbod werden verworpen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.