202302916/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 april 2023 in zaken nrs. 22/5385, 22/7131 en 23/2896 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang voor de periode van 1 tot en met 31 maart 2022 vastgesteld op € 475,95.
Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang voor de periode van 1 tot en met 30 april 2022 vastgesteld op € 475,95.
Bij besluit van 18 november 2022 heeft het COa de hoogte van de volledige eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 4.866,44. In dit besluit zijn de besluiten van 7 juli 2022 en 11 augustus 2022 verwerkt.
Bij uitspraak van 12 april 2023 heeft de rechtbank de tegen die besluiten door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Het COa heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het COa heeft ook een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft deze zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202107338/1/V1, 202203259/1/V1 en 202300124/1/V1, op een zitting behandeld op 28 maart 2025. Appellant, vertegenwoordigd door mr. L.A. Fischer, advocaat in Assen, en bijgestaan door P. Cuijpers, tolk, en het COa, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het COa biedt opvangvoorzieningen voor asielzoekers en verlangt een eigen bijdrage in de kosten daarvan als zij vermogen en/of inkomen hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld vermogen hebben als zij een dwangsom van de IND hebben ontvangen, omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd.
1.1. Het COa is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Met de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: de Reba 2008) heeft de regelgever invulling gegeven aan die bepaling. Uit artikel 20 van de Rva 2005 volgt dat, als een asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens die volgt uit artikel 34 van de Participatiewet, de asielzoeker een vergoeding in de kosten van de opvang in de vorm van een eigen bijdrage aan het COa is verschuldigd en dat het COa deze vergoeding ook naderhand kan terugvorderen, als blijkt dat de asielzoeker tijdens het verblijf in de opvang over vermogen beschikte. In de artikelen 2 en 3 van de Reba 2008 is bepaald wat de economische waarde is van de feitelijk geboden verstrekkingen die het COa gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage. In artikel 7 van de Reba 2008 is bepaald wat wel en niet onder vermogen wordt verstaan. Zo is in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Reba 2008 bepaald dat vergoedingen voor immateriële schade niet als vermogen in aanmerking worden genomen.
1.2. Het COa heeft de werkwijze hoe het een eigen bijdrage berekent en vaststelt verder uitgewerkt in een document ‘Beleidskader Werk en Inkomen’ en een document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’. Deze documenten heeft het COa bij de schriftelijke uiteenzetting overgelegd aan de Afdeling.
1.3. Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken, omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. De Afdeling is van oordeel dat het COa deze eigen bijdrage ook dan mag vaststellen en legt dat in deze uitspraak uit.
1.4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het besluit
2. Het COa krijgt op basis van het ‘Convenant ten behoeve van het uitvoeren van art. 20 Rva 2005 en de Reba 2008 door het COa’ van de IND informatie over dwangsommen die de IND heeft uitbetaald aan vreemdelingen. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 5.2 tot en met 5.2.2, volgt dat de IND en het COa deze gegevens mogen verwerken. Aan de hand van deze informatie onderzoekt het COa of een vreemdeling vermogen boven de vermogensgrens heeft. Als dat zo is, maakt het COa een berekening en stelt het daarna bij besluit een bedrag vast dat volgens het COa betaald moet worden als eigen bijdrage in de kosten van de opvang. Het COa past bij deze berekening een zogenoemde interingsnorm toe van 1,5 die doorgaans ook bij bijstandsgerechtigden wordt toegepast. Volgens het COa is de gedachte daarachter dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen. 2.1. Bij het besluit van 18 november 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 4.866,44, omdat hij volgens het COa een vermogen groter dan de vermogensgrens heeft nadat de IND € 23.500,00 aan dwangsommen aan hem heeft uitbetaald. Bij het besluit heeft het COa een berekening meegestuurd. Uit die berekening volgt dat op 1 september 2021 het vermogen van appellant is vastgesteld op € 23.500,00 en het vrijgesteld vermogen op € 6.295,00, zodat een bedrag van € 17.205,00 overblijft. De kosten van de verstrekkingen bedragen in totaal € 475,35 per maand, waarvan € 258,85 aan weekgelden en € 216,50 aan woonlasten. Het bedrag van € 17.205,00 heeft het COa gedeeld door € 713,03 (het totaalbedrag van de verstrekkingen vermenigvuldigd met de factor 1,5 van de interingsnorm). De uitkomst daarvan geeft het aantal maanden waarvoor appellant met inachtneming van de interingsnorm de kosten van de opvang kan dragen, totdat zijn eigen vermogen is teruggelopen tot het vrijgestelde bedrag van € 6.295,00, in dit geval afgerond 24,13 maanden. Dat aantal maanden heeft het COa vervolgens vermenigvuldigd met het maandelijkse totaalbedrag van de verstrekkingen van € 475,35. De uitkomst daarvan is € 11.470,00. Van dat bedrag heeft het COa een bedrag van € 5.651,66 afgehaald, omdat appellant de opvang wegens uitstroom naar een woning heeft verlaten voordat de hiervoor genoemde 24,13 maanden volledig waren verstreken. Van het overgebleven bedrag heeft het COa twee keer een bedrag van € 475,95 afgehaald, omdat appellant in de maanden maart en april 2022 heeft gewerkt. Daarmee zijn de besluiten van 7 juli 2022 en 11 augustus 2022 verwerkt in het besluit van 18 november 2022. De uiteindelijke uitkomst is € 4.866,44, het bedrag dat appellant volgens het COa aan eigen bijdrage in de kosten van de opvang moet betalen.
2.2. Appellant heeft het bedrag aan dwangsommen uitgegeven aan een opleiding, voor die opleiding benodigde apparatuur en een fiets met accessoires.
Ontvankelijkheid van de beroepen
3. Appellant heeft tegen de besluiten rechtstreeks beroep ingesteld. Hij heeft daarmee gevolg gegeven aan de rechtsmiddelenclausule onder die besluiten, die vermeldt dat tegen de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. In het kader van de door haar ambtshalve uit te voeren beoordelingen, ziet de Afdeling zich geconfronteerd met de vraag of tegen een besluit waarin het COa een eigen bijdrage vaststelt in de kosten van de opvang inderdaad rechtstreeks beroep openstaat en de rechtbank dus terecht die beroepen ontvankelijk heeft verklaard. Om die reden is op de zitting aan partijen de vraag voorgelegd of het vaststellen van een eigen bijdrage gezien moet worden als het onthouden dan wel beëindigen van verstrekkingen in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Wet COa. Het COa heeft zich op het standpunt gesteld dat het vaststellen van een eigen bijdrage te maken heeft met het onthouden of beëindigen van verstrekkingen en dat daarom rechtstreeks beroep openstaat.
3.1. Uit artikel 5 van de Wet COa volgt dat de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden of beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COa. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’, volgt dat tegen besluiten genomen op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, rechtstreeks beroep openstaat.
Het COa heeft op de zitting toegelicht dat het de verstrekkingen niet beëindigt wanneer iemand vermogen heeft boven de vermogensgrens, maar in plaats daarvan een eigen bijdrage in de kosten van de opvang verlangt. Het COa heeft de verstrekkingen van appellant dus niet beëindigd, nadat hij vermogen boven de vermogensgrens had verkregen. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet gelijk staat aan het, al dan niet gedeeltelijk, onthouden of beëindigen van de verstrekkingen. Dat betekent dat tegen een besluit over de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar openstaat. De rechtbank had daarom de door appellant ingestelde beroepen niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa.
3.2. Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn tijdens de zitting bij de Afdeling alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. De Afdeling vindt daarbij ook van belang dat appellant zelf niet heeft geklaagd over het feit dat de bezwaarprocedure is overgeslagen. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van zijn procedures, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift. Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsom die appellant heeft ontvangen geen immateriële schadevergoeding is. Verder is de rechtbank van oordeel dat het niet onredelijk is dat appellant betaalt voor de kosten van de opvang, omdat hij daar als vergunninghouder gebruik van heeft gemaakt. De aansluiting door het COa bij de interingsnorm van de Participatiewet, met het uitgangspunt dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen, vindt de rechtbank ook niet onredelijk. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verantwoorde uitgaven heeft gedaan met de ontvangen dwangsom, zodat het COa deze uitgaven bij de berekening van de eigen bijdrage terecht niet van het vermogen van appellant heeft afgehaald.
Hoger beroep
5. Zijn eerste grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet onredelijk is dat hij betaalt voor de kosten van de opvang, omdat hij daar als vergunninghouder gebruik van heeft gemaakt. Appellant betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij geen keuze had om eerder uit de opvang uit te stromen. Hij heeft twaalf maanden als vergunninghouder moeten wachten op toewijzing van zelfstandige woonruimte en heeft gedurende die twaalf maanden gebruik moeten maken van de opvang, omdat hij anders geen woning zou krijgen. Het COa heeft volgens hem niet aannemelijk gemaakt dat het te betalen bedrag van de geboden opvangvoorzieningen overeenkomt met de economische waarde. Hij verbleef immers in een voormalig hostel op een zaal en deze voorziening is volgens hem te vergelijken met een bed in de nachtopvang waar je in Amsterdam € 5,00 per nacht voor betaalt.
5.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant gebruikgemaakt van de opvangvoorzieningen en is niet onredelijk dat het COa van hem verlangt dat hij betaalt voor de kosten van de opvang.
Artikel 3, derde lid, van de Wet COa biedt de regelgever de mogelijkheid om nadere regels op te stellen voor verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005 zijn vergunninghouders die in de opvang verblijven gelijk gesteld met asielzoekers die in de opvang verblijven als het gaat om de geboden opvang. Artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005 biedt het COa de grondslag om ook bij vergunninghouders een eigen bijdrage vast te stellen, omdat in die bepaling zowel asielzoekers als vergunninghouders zijn genoemd. Dat appellant geen keuze had om uit de opvang te stromen volgt de Afdeling niet. Zoals het COa terecht betoogt stond het hem vrij om zelf op zoek te gaan naar een passende woonruimte buiten de opvang. Appellant heeft op de zitting gewezen op de slechte opvangomstandigheden. De Afdeling begrijpt dat de periode in de opvang veel van hem heeft gevraagd, maar acht het bedrag van € 216,50 per maand aan woonlasten, ook als appellant in een voormalig hostel op een zaal heeft verbleven, niet hoger dan de economische waarde. De grief slaagt niet.
6. Grief 2 richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat de hoofdregel is dat hij moet bijdragen aan de kosten van de opvang en dat de aansluiting door het COa bij de interingsnorm van de Participatiewet, met het uitgangspunt dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen, niet onredelijk is. Appellant betoogt dat het COa met de vaststelling van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang een sanctie heeft opgelegd waarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Hij had immers de uitbetaalde dwangsom al uitgegeven toen het COa het besluit nam en in dat geval is het alsnog vaststellen van een eigen bijdrage over maanden waarin hij feitelijk niet over een vermogen heeft beschikt volgens hem een sanctie. Voor zo’n sanctie ontbreekt een wettelijke grondslag. Volgens hem zijn de besluiten daarom in strijd met artikel 5:4 van de Awb.
6.1. Het betoog van appellant slaagt niet. In haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:140, onder 6.2.1 tot en met 6.2.3, heeft de Afdeling overwogen dat zij het redelijk acht dat het COa voor de toepassing van zijn bevoegdheid om van vreemdelingen die over vermogen boven de vermogensgrens beschikken een eigen bijdrage te vragen, een vaste gedragslijn hanteert waarin het op onderdelen aansluiting heeft gezocht bij de Participatiewet. Het COa mocht dan ook een eigen bijdrage van appellant vragen volgens de onder 2.1 weergegeven berekening. Dat appellant de uitbetaalde dwangsom al had uitgegeven voordat het COa de besluiten had genomen, betekent niet dat het COa daarom geen eigen bijdrage in de kosten van de opvang meer mocht vaststellen. Anders dan appellant betoogt, is niet van belang dat hij geen vermogen boven de vermogensgrens meer had op het moment dat het COa er kennis van nam dat aan hem een dwangsom was uitbetaald die hem een vermogen boven de vermogensgrens gaf. Van belang is dat appellant op enig moment, terwijl hij in de opvang verbleef, vermogen boven de vermogensgrens heeft verkregen en hij vanaf dat moment verplicht was om bij te dragen aan de kosten van die opvang naar rato van het vermogen waarover hij op dat moment beschikte. Die verplichting is niet verdwenen, omdat appellant zijn vermogen, of een aanzienlijk deel daarvan, heeft uitgegeven voordat het COa de op die verplichting gestoelde besluiten heeft genomen. Dat appellant door zijn handelwijze een eigen bijdrage heeft moeten betalen voor de kosten van opvang in maanden waarin hij feitelijk niet meer over een vermogen boven de vermogensgrens beschikte, maakt de besluiten van het COa dan ook niet onrechtmatig.
In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat uit artikel 20, eerste lid, van de Rva 2005 volgt dat een asielzoeker verplicht is om onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COa, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Zoals de Afdeling onder 5.1 heeft overwogen, zijn vergunninghouders die in de opvang verblijven gelijk gesteld met asielzoekers die in de opvang verblijven als het gaat om de geboden opvang. Bovendien heeft het COa, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, appellant geïnformeerd met een rechten- en plichtendocument dat hij moet betalen voor de opvangvoorzieningen, indien hij over voldoende middelen beschikt. Appellant wist op het moment waarop hij de dwangsom ontving dus al dat hij vanaf dat moment daadwerkelijk financieel zou moeten gaan bijdragen aan de kosten van zijn opvang en had zelf het COa daarover moeten informeren.
Het betoog dat de vaststelling van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang in het geval van appellant een bestuurlijke sanctie is, waarvoor de in artikel 5:4 van de Awb vereiste wettelijke grondslag ontbreekt, slaagt evenmin. De verplichting om een eigen bijdrage te betalen aan de kosten van opvang komt niet voort uit een gedraging van appellant als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Awb en is dan ook geen bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De grief slaagt niet.
7. Zijn derde grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verantwoorde uitgaven heeft gedaan met de ontvangen dwangsom. Appellant betoogt dat de bewijslast niet bij hem, maar bij het COa ligt en wijst daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098, onder 4.6. Ook betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij vanwege zijn leeftijd niet meer voor studiefinanciering in aanmerking kon komen en daarom de studiekosten die hij heeft gemaakt alleen vanwege de uitbetaalde dwangsom kon betalen. Hij wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP4888, onder 4.3.6. 7.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Zoals de Afdeling onder 6.1 van deze uitspraak heeft overwogen, heeft het COa ervoor gekozen om, voor de invulling van de bevoegdheid om van vreemdelingen een eigen bijdrage in de kosten van opvang te vragen, op onderdelen aan te sluiten bij de Participatiewet. Maar het COa is niet verplicht om volledig aan te sluiten bij die wet en de uitvoering van zijn bevoegdheid is ook niet onderworpen aan die wet. Het COa heeft op de zitting toegelicht dat, als een vreemdeling bijzondere omstandigheden aanvoert, het deze betrekt bij het besluit of het in dat geval een eigen bijdrage vaststelt. Op pagina 5 van het document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’ is uitgewerkt hoe het COa daarbij te werk gaat. Uitgangspunt is dat een vreemdeling verantwoordelijk is om het COa te informeren over een wijziging in zijn financiële situatie en om ervoor te zorgen dat hij aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Als een vreemdeling zijn vermogen boven de vermogensgrens al heeft opgemaakt, vraagt het COa naar de reden daarvan. Het kan zo zijn dat een vreemdeling zich in een uitzonderlijke situatie bevond waardoor hij geen andere mogelijkheid zag dan het gebruiken van dat vermogen. De vreemdeling moet dit echter aannemelijk maken met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn en waaruit kan worden afgeleid dat het geld van de dwangsom moest worden gebruikt.
7.2. De verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2016 baat appellant daarom niet. Deze uitspraak ging over een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet en laat zich niet goed vergelijken met de situatie van appellant. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt namelijk dat het COa vrij is om zelf invulling te geven aan zijn bevoegdheid om een vergoeding voor de kosten van opvang te vragen aan een vreemdeling die over voldoende middelen beschikt. Dat het COa er daarbij voor gekozen heeft voor de berekening van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van opvang aansluiting te zoeken bij de interingsnorm in de Participatiewet, betekent niet dat het het COa niet langer vrijstond om op andere punten invulling aan zijn bevoegdheid te geven op een wijze die afwijkt van uitgangspunten die onder de Participatiewet gelden. Het COa heeft dat onder meer gedaan met de hiervoor beschreven werkwijze dat het aan vreemdelingen is om aannemelijk te maken dat zij geen andere mogelijkheid zagen dan het gebruiken van de ontvangen dwangsom, wanneer zij het vermogen boven de vermogensgrens al hebben uitgegeven voordat het COa de eigen bijdrage in de kosten van opvang heeft vastgesteld. Het betoog van appellant dat uit genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de bewijslast in zoverre bij het COa ligt, volgt de Afdeling daarom niet.
7.3. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2011 baat hem niet. Deze uitspraak ging ook over een aanvraag om bijstand en waarin het bestuursorgaan zich in de besluitvorming op het standpunt heeft gesteld dat de aanvrager, door te snel in te teren op het vermogen, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid had. De Centrale Raad van Beroep heeft in die uitspraak overwogen dat het bestuursorgaan op goede gronden de studiekosten tot de door betrokkene daaraan bestede bedragen niet noodzakelijk heeft gevonden. De Afdeling is van oordeel dat appellant, net als in de situatie van die uitspraak, aanzienlijke opleidings- en materiaalkosten heeft gemaakt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten noodzakelijk waren. Hoewel appellant op de zitting heeft toegelicht dat hij na zijn opleiding werk heeft gevonden dat aansluit op de gevolgde opleiding, heeft hij daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat daarvoor het volgen van deze opleiding noodzakelijk was, dat hij geen andere gepaste en minder dure opleiding kon volgen om uiteindelijk betaald werk te kunnen vinden, of dat het noodzakelijk was de volledige kosten van de gekozen opleiding in een keer te voldoen. De Afdeling merkt daarbij op dat appellant in minder dan twee weken tijd na het ontvangen van de dwangsom die bijna in zijn geheel heeft uitgegeven aan die opleiding, daarvoor, naar hij stelt, benodigde apparatuur en een fiets met accessoires, en hij op eigen verzoek de opleiding voor drie jaar vooruit heeft betaald. Dat hij de studie niet had kunnen betalen zonder de uitbetaalde dwangsom daarvoor aan te wenden, geeft geen uitleg over de noodzaak van deze hoge kosten, dan wel de noodzaak om die kosten in een keer te voldoen. Daar komt bij dat appellant het bedrag tot de vermogensgrens had kunnen gebruiken voor het volgen van een studie. Hij kon de ontvangen dwangsom dus al deels naar eigen inzicht aanwenden. Dit alles in aanmerking genomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het COa zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om noodzakelijke uitgaven. De grief slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
8. Grief 4 richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming en geen immateriële schadevergoeding is. Appellant betoogt dat de Staat één en ondeelbaar is en als hij de ontvangen dwangsom van de IND na ontvangst gedeeltelijk moet overmaken aan het COa, de prikkel effectiviteit verliest.
8.1. Het betoog van appellant slaagt niet. De dwangsom is een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om te komen tot snellere besluitvorming. De dwangsom is dus niet bedoeld als een sanctie voor de minister voor het overschrijden van de beslistermijn en ook niet als vorm van genoegdoening voor degene die te lang op een besluit wacht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.13. Een toegekende dwangsom staat ook niet in de weg aan een verzoek om vergoeding voor geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Het COa en de IND hebben ieder een eigen financiering. Alleen al daarom slaagt het betoog niet dat afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat, doordat deze uiteindelijk terugvloeit naar de Staat. De grief slaagt niet. 9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
574-1078
BIJLAGE
Wet Centraal Orgaan Opvang asielzoekers
Artikel 3
1. Het COA is belast met:
a) de materiële en immateriële opvang van asielzoekers;
[…]
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.
[…]
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet.
[…]
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Artikel 20
1. De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van die asielzoekers.
2. Indien een asielzoeker of vergunninghouder die verblijft in een opvangvoorziening, daaronder begrepen de handhavings- en toezichtlocatie, dan wel de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of deze regeling, is die asielzoeker of vergunninghouder aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker of vergunninghouder feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten.
3. Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening of de handhavings- en toezichtlocatie blijkt dat een vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn gezinsleden van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan het bedrag van het in het tweede lid bedoelde vermogen of de in het tweede lid bedoelde inkomsten.
Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008
Artikel 2
Tot de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, worden gerekend:
a) de aan of ten behoeve van de asielzoeker en zijn gezinsleden verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden;
b) het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.
Artikel 3
De economische waarde per maand, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, bedraagt:
a) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel a: de toelage bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Rva 2005, die aan of ten behoeve van de asielzoeker of vergunninghouder wordt of zou worden verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden, vermenigvuldigd met de factor 4,33;
b) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel b: € 50,00 voor een alleenstaande asielzoeker of vergunninghouder of eerste gezinslid, € 25,00, voor het tweede gezinslid en € 12,50 per volgend gezinslid, vermenigvuldigd met de factor 4,33, tot een maximum van € 433,00.
Artikel 7
[…]
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
[…]
e) vergoedingen voor immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 van de Rva 2005, verantwoord is.